OVER DEZE WEBSITE  |   GASTENBOEK  |   AANRADERS  |   DISCLAIMER  

Tekst   Foto's
HOME     HAARLEMMERMEER      DORPEN     T OUDE BUURTJE     PERSONEN     ZOEKPLAATJES     FOTOALBUMS     FILMS    
»  Droogmakingsplannen 17e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 18e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 19e Eeuw
»  Cruquius, Nicolaas Samuel
»  1839-52 de Droogmaking
»  1845 Bouw Gemaal Leeghwater
»  1850 de Polderjongen
»  1852 Verkaveling en Inrichting
»  1854 Tochtje door nieuwe Polder
»  1858-60 Gedenkpenningen Droogmaking
»  1852-70 de Kolonisatie
»  1870-90 de Landbouwcrisis
»  1890-1920 Economisch Herstel
»  1920-45 begin verstedelijking
»  1940-45 Onderduikers in Haarlemmermeer
»  Deel 1: Fam Bogaard
»  Deel 2: Fam Bogaard Vervolg
»  Deel 3: Fam Breyer
»  1945-75 Sterkere Verstedelijking
»  Boerderij namen

 Droogmakingplannen voor het Haarlemmer Meer door de eeuwen heen.

door: Cor Wies
Hoofddorp, september 2001

Begin 17e eeuw waren er al plannen om het Oude Haarlemmer Meer, het Leydsche Meer, het Oude Meer en het Spiering Meer te bedijken en droog te malen.
De aanleiding tot deze plannen was het grote landverlies aan vooral de zuidoost- en noordoost Oevers. Grote stukken land verdwenen van bijv. Groot- en Klein Burggravenveen (Burgerveen), De dorpen Vijfhuizen, Nieuwerkerk en Rijk waren al verdwenen of dreigde te verdwijnen, waarna er uiteindelijk zo rond 1808 één groot meer ontstond. 

Eén van de tegenstanders tegen de droogmaking was het Hoogheemraadschap van Rijnland wat zijn boezem (waterberging) met ± 80%  zag verminderen. Ook de steden Leiden en Haarlem hadden bezwaren met betrekking tot de visrechten (Vroon), de scheepvaart tussen de onderlinge steden en Amsterdam. Daarnaast waren ze van het Haarlemmer Meer afhankelijk voor het verversen van de grachten die toen nog gewoon als een open riool dienden.
Het was in de 17e eeuw heel gewoon dat rijke ondernemers een landmeter of een andere deskundige opdracht gaven om een plan voor droogmaking van het Haarlemmer Meer te maken of om een al bestaand plan te gebruiken. Ook gebeurde het wel dat een landmeter op eigen kosten een gemaakt plan indiende. Op dat plan werd dan geprobeerd een staatsoctrooi te krijgen. Zo staatsoctrooi voorzag particuliere ondernemers tijdelijke in belastingvrijdommen en andere voordelen, o.a. "het eigendom der drooggemaakte gronden, en vrijdom van verhooging van grondbelasting op ongebouwde eigendommen, voor de eerstkomende 25 jaren."

1615 - Meussz
Het éérste bekende plan is een kaart van de landmeter Gerbrant Meussz., (afb 1) hoewel ongedateerd zal de kaart van na 1615 zijn omdat hij topografisch gezien erg lijkt op de in 1615 voltooide kaartwerken van Floris Balhasarsz. Van Berkenrode. 
Het was een vrij ruw plan wat het Spiering Meer en het Kager Meer buiten de ringdijk hield.


Het lijkt er op dat hij de droogmakerij in een westelijk en een oostelijk deel verdeeld met een onderbemaling op de Hoofdvaart. Maar dat blijft gissen omdat alleen de kaart bekend is en geen geschreven plan. Nou kwam in 1617 "Anthonius de Hooch (burgemeester van Gorinchem) en consorten," met het eerste verzoek voor een staatsoctrooi. Hierbij diende hij het plan van Meussz. in.
In de Staten vergadering kwam het verzoek er niet door, omdat er niets in stond over de belangen van Rijnlands boezem ook de scheepsvaart belangen van de steden Leiden, Haarlem en Amsterdam waren niet opgelost, waardoor het verzoek werd afgewezen. Zeven jaar later komt dan nog ene Pieter van der Linden met dezelfde kaart met een verzoek voor octrooi, maar ook dat verzoek werd afgewezen.

1629 - Leeghwater
In 1629 komt Jan Adrijaenszoon  Leeghwater met een plan en een kaart (afb 2) wat veel op het plan van Gerbrant Meussz lijkt, ook hij laat het Spiering Meer en het Kager Meer buiten de ringdijk om als boezem te dienen. Dit plan (kaart en een "cleyn boecxken") is echter nooit in druk uitgekomen.

Origineel Kaartencollectie Universiteit v Amsterdam

Met de octrooiaanvragen is het dan een paar jaar rustig, maar in 1631 komt Mr. Gerard Meerman(1593-1638), advocaat te Leiden, met een verzoek voor octrooi. De inhoud van dit plan is onbekend. Ook dit verzoek word afgewezen. Leeghwater komt in 1635 - waarschijnlijk op eigen kosten - met een nieuw plan. Nu betrekt hij ook het Kager Meer bij de droogmaking. Op de kaart, waarvan er maar drie bekend zijn waarvan één in het polderhuis te Hoofddorp, vermeldt Leeghwater dat hij van de kaart van Meussz. uitgegaan is, met hier en daar een verbetering. Buiten de drie kaarten is er verder geen documentatie van dit plan bekend.

1641 - Veeris
In 1641 kwamen er twee plannen tot droogmaking van de Haarlemmermeer uit.
Als eerste komt Jan Bartelszoon Veeris met een plan (afbeelding 3) om met 108 molens het meerwater in een voorboezem bij Halfweg te malen, waarna 15 bovenmolens het water in Rijnlands boezem lozen. Voor een ruime waterberging laat hij het Kager Meer en het Spiering Meer buiten de ringdijk.


Ook had hij een ruime schutsluis te noorden van Halfweg bedacht die moest lozen op het IJ. Wat er van dit plan bekend is staat op de kaart beschreven in de vorm van een legenda van A t/m S. Hoewel dit redelijk uitgebreid is, is het jammer dat er voor zover bekend er verder geen documentatie is.

1641 - Leeghwater
Het tweede plan komt van, de al eerder genoemde,  Jan Adrijaenszoon Leeghwater (1575-1650), molenmaker en landmeter te Rijp(afbeelding 4).
Leeghwater neemt het plan van Veeris in grote lijnen over, waarbij hij alleen het Kager Meer buiten de ringdijk houdt als boezem. Hij wil het meer met 160 achtkante molens droogmalen. De kosten werden op ƒ3.690.000, - beraamd, voor 17.000 bunders (hektare). Dit plan wordt bekend als het "Haarlemmer-Meer-Boeck".

Leeghwater’s plan werd ingediend bij de Staten van Holland. Hoewel Rijnland welwillend was, kwam het plan er toch niet door. Vooral de steden Leiden en Haarlem hadden grote bezwaren.
Al in 1642 kwam  Claes Arentsz. Colevelt, landmeter in Leidse dienst, met zijn boekje "Bedenckingen over het drooghmaken van de Haerlemmer  ende Leydsche Meer, honderd twee en zeventig articulen". Van Veeris wordt dan niets meer vernomen, maar Leeghwater gaat de discussie aan.
Zo is Leeghwater in 1643 al aan zijn 4e druk toe, waarin hij een extra hoofdstuk toevoegt. Het hoofdstuk krijgt als titel ’En oock mede eenige Tegenspaeck van Colevelts Boeckxken", waarin hij de bedenkingen van Colevelt onderuit haalt. In de 4e druk wordt ook voor het eerst de afbeelding van Leeghwater geplaats. Het was ook de laatste druk die hij zelf verzorgd heeft, daar hij in 1650 stierf. Er zijn van het Haarlemmer-Meer-Boeck vanaf 1641 tot 1838 dertien herdrukken geweest, waarvan een paar drukken het vermelde waard zijn.
In de 5e druk uit 1654 komen voor het eerst de hoofdstukken over het vergroten van de dorpen Graft en de Rijp voor, die al eerder door Leeghwater geschreven waren. Het hoofdstuk over "den Grooten Brandt, voor-gevallen in de Rijp, op den sesten Januarij des Jaers 1654", wat ook vaak aan Leeghwater wordt toegeschreven is echter niet van zijn hand omdat hij toen al vier jaar dood was! Het bijzondere van de 7e druk is dat er drie verschillende uitgaven, in verschillende jaren (1669, 1688 en 1710) gedrukt zijn, maar allen drie de 7e druk genoemd werden. Dit herhaald zich weer bij de 12e druk met weer drie uitgaven bij verschillende uitgevers en verschillende jaren (1749 en 1764), het "waarom" is onbekend.


Hierdoor zijn er dus eigenlijk zeventien drukken, in plaats van de officieel dertien uitgegeven! De velen herdrukken en natuurlijk het doordacht plan (zeker voor die tijd)  maken van hem een bekend man. Zo wordt het eerste stoomgemaal in de Haarlemmermeer naar hem vernoemd: "De Leeghwater". Tenslotte werd zijn naam nog verschillend geschreven z.a. Leech-, Leegh- en Leegwater, maar hij heette eigenlijk gewoon Jan Adriaenszoon. Dat is te lezen op een oud octrooi uit 1605 wat hem en twee vrienden was verleend op een geheime methode om langdurig onder water te blijven. (Zie 13e druk,"Haarlemmer-Meer-boeck",blz.23). Leeghwater was waarschijnlijk zijn bijnaam omdat hij  bij verschillende droogmakingen betrokken is geweest. Nu had buiten Rijnland en Leiden ook Amsterdam belang bij het in stand  houden van het Haarlemmer Meer, hoewel ze er niet openlijk voor uitkwamen. Voor de verversing van de grachten was Amsterdam aangewezen op het IJ, maar dat was niet altijd mogelijk (hoogwater op het Zuiderzee).Om de grachten, die eigenlijk niets anders waren dan open riolen, toch te kunnen spoelen liet men IJ-water binnen wat dan weer illegaal op het lager gelegen Haarlemmer Meer geloosd werd. Zo kon het gebeuren dat in de droge zomer van 1669 in de Leidse grachten, onder andere door vervuild, stinkend, brak water uit Amsterdam een hevige malaria-epidemie uitbrak!
Daar kwam nog bij dat de Leidse bierbrouwers hun bierwater uit de grachten haalde en maar tot 60 a 80 c verhitte, waardoor het nou niet bepaald een gezond biertje werd! Leiden beklaagde zich aan het adres van Amsterdam als veroorzaker van de verzouting van het Haarlemmer-Meer. Amsterdam ontkende in eerste instantie alles, maar gaf het later toch toe, waarna Amsterdam in 1670 afgesloten werd van Rijnland. Maar genoeg afgedwaald.

1672 - gemeenschap der Portugese Joden te Amsterdam
Zo rond 1672 kwam er een informeel voorstel van de gemeenschap der Portugese Joden te Amsterdam, om het Meer op hun kosten leeg te malen, mits er een Joodse kolonie gevestigd mocht worden! Dit verzoek stond in het licht van de destijds oplevende Jodenvervolgingen elders. Het verzoek werd niet officieel in behandeling genomen.


 
NIEUW TOEGEVOEGDE FOTO
...

MEER OVER DEZE FOTO >>  

 
WAT WEET U VAN DEZE FOTO?
Als u iets weet over deze foto klik dan op "Meer over deze foto" en geef uw informatie door!

MEER OVER DEZE FOTO >>  

© Jan Wies 2017 | j.wies@planet.nl | Kruislaan 28, 2131WD Hoofddorp | telefoon: 023 5636680 Gesponsord door Clic2connect