Tekst   Foto's
HOME    
uVhH 1931-32 Deel 1
uVhH 1931-32 Deel 2
uVhH 1932-33 Deel 1
uVhH 1932-33 Deel 2
uVhH 1933-34 Deel 1
uVhH 1933-34 Deel 2
uVhH 1934-35 Deel 1
uVhH 1934-35 Deel 2
uVhH 1934 Verslag
uVhH 1935-36 Deel 1
uVhH 1935-36 Deel 2
uVhH 1936-37 Deel 1
uVhH 1936-37 Deel 2
Talpa 1936-37 Deel 1
Talpa 1936-37 Deel 2
Talpa 1937-38 Deel 1
Talpa 1937-38 Deel 2
Talpa 1937-38 Deel 3
Talpa 1938-39 Deel 1
Talpa 1938-39 Deel 2
Talpa 1939-40 Deel 1
Talpa 1939-40 Deel 2
Talpa 1940-41 Deel 1
Talpa 1940-41 Deel 2
Talpa 1941-42 Deel 1
Talpa 1941-42 Deel 2
Talpa 1942-43 Deel 1
Talpa 1942-43 Deel 2
Talpa 1943-
Talpa 1946-
Talpa 1948-
Talpa 1949-
Catalogus Archief Deel 1
Catalogus Archief Deel 2
Catalogus Archief Deel 3
Fam Mol Stam Hekelingen 1
Fam Mol Stam Hekelingen 2
Fam Moll Stam Velp Deel 1
Fam Moll Stam Velp Deel 2
Fam Moll Stam Velp Deel 3
Fam Mol Zeeland Deel 1
Fam Mol Zeeland Deel 2
Fam Mol Zeeland Deel 3
Fam Mol Zeeland Deel 4

 5e Jaargang No. 18 15 Juni 1935

Uit Verleden, het Heden
[Driemaandelijksch tijdschrift der Vereeniging „Families Mol(l)"]
REDACTEUR: Dr. W. H. Moll, J. v. Oldenbarneveltlaan 21, Amersfoort
 
Met het oog op eventueele feestplannen verschijnt dit nummer 14 dagen eerder dan l Juli.
MEDEDEELINGEN VAN HET BESTUUR.
1. - Kort verslag van de 7e Algemeene Vergadering te Utrecht,
4 Mei 1935; De volgens lijstje aftredende Archivaris, de Heer J. A. Moll, werd met algemeene stemmen herkozen. De jaarverslagen van de verschillende functionarissen, die intusschen reeds gedrukt verschenen, werden goedgekeurd. Mej. H. H. Moll te Amsterdam en de Heer G. van der Zanden te Amersfoort werden benoemd tot leden der kascommissie 1936. Voorloopige maatregelen tot eventueele viering van het a.s lustrum werden besproken. De Secretaris hield een causerie „Over de beteekenis van familienamen in ’t algemeen en die van onzen familienaam in ’t bijzonder", welke voordracht op voorstel van den Voorzitter in druk zal verschijnen. Als plaats voor de volgende Algem. Vergadering wordt Den Haag aangewezen.
De Secretaris,
 
2. Hartelijken dank brengt het Bestuur aan den Heer C. Türler, Dir. des Finances, te Bienne (Suisse), die ons Archief den geheelen uitgebreiden stamboom-Moll van Bienne (Biel) verschafte, gedocumenteerd door photo’s van de doop-, huwen overl. inschrijvingen in de kerkboeken en van af ± 1550 tot heden. Evenzoo dankt het Bestuur den Heer L. Moll te Harderwijk voor de belangrijke memoires van Ds. J, H. Gunning J.Hzn. en Mevr. A. H. Moll te Den Haag voor de schenking van een collectie familie-portretten aan ons Archief.
 
3. Als nieuwe Donatrice en Donateur traden toe: Mej. B. Moll en de Heer W. Moll, beiden Breedstraat 10, Utrecht (stam Bolsward).
Als Lid de Heer J C Mollema, Oud Zeeofficier, Groenhovenstraat 30, den Haag (stam Drachten).
 
REVUE „UIT VERLEDEN, HET HEDEN".
Waarde medeleden, Eenigen van ons zouden gaarne, op den middag van onze lustrumviering in Nov a.s., een toepasselijke revue opgevoerd zien. Ondergeteekende, die dergelijk werk méér doet, heeft daarvoor een tekst ingestuurd, waarin o.a. gegevens van verschillende „Mollen" van vroeger en nu zijn verwerkt, en waaruit het nut van onze vereeniging zal uitkomen. Een ander is bereid gevonden, de muziekgedeelten erbij te componeeren, en uit te voeren.
MOGEN WE VOOR DE OPVOERING REKENEN OP DE MEDEWERKING VAN EEN FLINK AANTAL ONZER LEDEN, DONATEURS(TRICES) OF HUN GEZINSLEDEN? Er zijn namelijk noodig: 1e: een jongen of jongeman, die viool (eventueel guitaar of derg.) speelt, een meisje, dat zingt of een instrument bespeelt, en een paar, die een kort, artistiek dansje doen; 2o. volwassenen, jongelui én meisjes voor het vervullen van korte, gemakkelijke spreekrollen; voor zwijgend-wandelende figuranten, in bepaald costuum uit ouden of nieuwen tijd; en voor stille tableau-figuren.
Verder zoeken we van onze leden, enz. te leen, of goedkoop in huur, costuums voor: le. ridder en page uit de middeleeuwen; 2e. zeevaarder uit den tijd van de Compagnie; 3e. boeren en burgers met gezinnen, wetenschapsman, en bruidspaar uit 17e of 18e eeuw; 4e. schoolmeester van begin 19e eeuw; 5o. Katholiek geestelijke of Protestantsch dominé uit ouden óf nieuwen tijd; 6e. museumwachter, student met baret, Scheveningsche jongeman en meisje; Europeesch echtpaar met djongos en baboe uit Indië, allen uit tegenwoordigen tijd; en groote geschilderde of geteekende portretten, om museumschilderijen voor te stellen. Maar tenslotte verwachten we een groot aantal naamgenooten met familieleden, al tot de vereeniging behoorende, of geïntroduceerd, die komen kijken en luisteren naar ons spel!
We hopen er met deze revue toe bij te dragen, dat onze lustrumdag een feest voor de naamgenooten wordt, bijna als een familiereunie voor de gezinnen, waar we ons verbonden" voelen, zoodat ook de genoodigden niet-leden naamgenooten zich tot het lidmaatschap zullen voelen aangetrokken. Wie DOET MEE? Stuur s.v.p. VOOR l JULI A.S. aan onzen secretaris en redacteur te Amersfoort bericht, of we op medewerking van Uzelf, Uw echtgenoot(note) of kind(eren) mogen rekenen, hetzij voor een der bovengenoemde rollen, hetzij voor het afstaan van costuum, enz. Ik heb mij bereid verklaard, de getypte rollen van nauwkeurige aanwijzingen, voor intonatie en geste, te voorzien, de repetities zoo practisch mogelijk te regelen, en in mijn va-cantie, zonder kosten te maken, enkele rollen persoonlijk te helpen inspelen. Laten wij samenwerken bij deze uitbeelding van onze naamgenootenorganisatie, DOOR en VOOR de Mollen.
L. M., lid der vereeniging.
 
Geachte Leden en Donateurs!
Bovenstaande oproep van ons hooggeachte lid L. M. brengt het Bestuur onder de welwillende aandacht van allen.
Waar, trots den nood der tijden, en ondanks het feit, dat onze Vereeniging van zeer heterogenen aard is door het samenbrengen van talrijke families, zij in 5 jaren tijds haar aantal toegetredenen meer dan verdubbeld ziet, vindt het Bestuur het alleszins de moeite waard, door een eenvoudige herdenking de gedachte van ons geesteswerk te materialiseeren; moge de grondslag van onze Vereeniging van ideëelen aard ztjn, zonder de daad heeft het woord géén levenskracht. Misschien zou thans verwezenlijkt kunnen worden de in de Statuten uitgesproken gedac’hte aan een doel van „samenbrengen" der naamdragers.
Het Bestuur had inzicht in de compositie van de revue en geeft gaarne de volle verzekering, dat dit werk een opvoering waardig is: het wil groote lijnen van onzen arbeid in eenvoudige tafereelen aanschouwelijk voorstellen. Met het oog op de vele voorbereidende maatregelen is het noodzakelijk, reeds nu de voorloopige steun van de leden en donateurs te vragen. Alleen bij voldoende daadwerkelijke sympathie zal slagen mogelijk zijn. Dat de Mollen ook thans van hun bekende doorzettingskracht en sterken wil blijk geven!
PLAN (voor wijzigingen vatbaar): Zaterdag, 16 Nov a.s.
(de herdenkingsdag zelve, 15 Nov., is minder geschikt voor een reunie).
1. Ongeveer 12.30 Samenkomst (hoogstwaarschijnlijk te Utrecht). In gereserveerde zaal: Welkom, uitgebracht door den Voorzitter. Lunch (p.p. a ƒ 1.- a ƒ 1.50. voor eigen kosten).
2. Ongeveer 2 uur Opvoering van de Revue: (Inleidend woord van een bestuurslid en uitleg door de declamatrice.) In de Pauze: tentoonstelling van portretten, herinneringen, handteekenmgen van naamdragcrs. (Tijdige inzending gewenscht.)
3. Slotwoord van den Voorzitter. Afloop en vertrek circa 4.30.
Antwoorden van sympathie, steun, medewerking aan de revue in stille of sprekende rol, tegenwoordig zijn, deelneming aan de lunch, adviezen of wenken, terwijl van ieder bewijs van medeleven uitdrukkelijk verklaard wordt, op hoogen prijs te worden gesteld, worden ingewacht uiterlijk l JULI a.s. aan het SECRETARIAAT Joh. v. Oldenbarneveltlaan 21, Amersfoort.
 
HET BESTUUR.
Nieuwe Boeken der Bibliotheek:
126. J. Th. Moll, „Het Pacific Instituut, Nationaal en Internationaal", voordracht, gehouden voor het Indisch Genootschap l Febr. 1935 door J. Th. Moll. (Van den Schrijver.)
127. Dr. W. E. de Mol, „Practisch voordeel door Röntgen-bestraling ter verkrijging van knopmutaties". Overdruk uit Landb. tijdschrift. Jan. 1935. (Van den Schrijver.)
128. Dr. A. Moll, „Sexuelle Personen, Geisteskrankheit und Zurechnungsfühigkeit". Berlin 1905.
129. J.P. Moll, „Dissertatie inauguralis medica sistens scia-
graphiam phthiseos nosologicam", Tübingen Oct 1789, met stellingen „Pars Moralis". 128 en 129 schenkingen van Dr. Fr. Moll en Dr. W H. Moll.)
130. Prof. Dr. G. Moll en A. van Beek, „Proefnemingen aangaande de snelheid van het geluid", 1823. (Schenking van den Heer Fr. Oudschans Dentz.)
131. „Erfelijkheid bij de Mens", „3 m. tijdschr. voor Anthro-pologie, Anthropogenetika en Sociologie", Jaargang I. (Schenking van Dr. W. H. Moll.)
132. Dr. Karl Moll, „Die Ehrbare Gesellschaft der Hun-derteiner in Meersburg", 1928, (Schenking van Dr. Fr. Moll.)
133. Mevr. Ardina Helena Moll, „Die Entwicklungstenden-zen der Wirtschaft und was sie für die Hausfrauen bedeuten".
134. Mevr. Ardina Helena Moll, „Present economie tenden-cies where does the housewife come in." 1934. (Schenking van de inleidster A. H. Moll.)
 
MEMORANDUM.
Het Lenneper Geslacht Moll. I.
Het geslacht Moll in Lennep (bij Remscheid), de voormalige residentie van het aloude graafschap Berg, waartoe ook eertijds Zutfen behoorde, is vermaard door verschillende omstandigheden. Eene daarvan is het feit, dat bijna alle tot dit geslacht behoorende Mollen belangrijke lakenfabrikanten geweest zijn. Lezenwe, dat Dietrich Moll in 1478 het burgerrecht in Lennep verwierf, zoo vinden we reeds in 1566 Arndt Moll als lakenfabrikant vermeld in de protocollen van Lennep. Velen hadden daarbij een funtie in de magistratuur. Met weinig onderbreking zien we bijna 2 eeuwen lang van 1638-1832 op de lijst der Burgemeesters van Lennep een naamdrager Moll (in ’t geheel 10). Anderen weer waren schepen of stadsrechter.
Eén der oudsten was Melchior Moll Overl 13 Juni 1656, die tot 5 malen toe burgemeester was. De kleinzoon van zijn broer Peter, ook Peter Moll, geb. 27 April 1659, burgemeester en daarna stadsrechter, huwde 1678 te Lennep met Klara Hölterhoff en leefde met haar 49 jaren in den echt. Zijn echt-genoote, die op 90 jarigen leeftijd stierf, schonk haar man 15 kinderen. Van 10 gehuwde kinderen heeft zij 92 kleinkinderen mogen beleven, en van 15 gehuwden daarvan, nog 64 achterkleinkinderen. Voorwaar een echte stammoeder!
Eén der zoons Johann Christiaan Moll, geb. 7 Oct. 1702, overl. 28 Sept. 1762 te Hagen en 2 Jan. 1733 te Hagen gehuwd met Helena Margaretha Harkort, dochter van Johann Caspar H. en Maria Sybilla Weniger, was het, die de laken-fabricage van Lennep naar Hagen overbracht.
Na afloop zijner schooltijd had hij zich op den handel toegelegd als velen zijner voorvaderen en werkte hij in de la-kenfabriek zijns vaders -en op de bleekerijen bij Schwelm (bij Lennep), waar hij de gebruikelijke arbeidsmethodes leerde kennen. Daarna trok hij door een groot gebied en bezocht de plaatsen met lakenindustrie, leerde daarbij de verschillende soorten weefsels kennen en beoordeelen.
Na zijn terugkeer brandde in 1738 de fabriek te Lennep af: slechts muren bleven behouden. Op aanraden van zijn schoonvader Harkort ging hij naar Hagen en richtte daar de eerste lakenfabriek op. Hagen, toen een klein plaatsje van ternauwernood 700 inwoners, werd door Johann Christiaan Moll een bloeiend centrum van lakenindustrie.
Door uitbouwing van een stuw, en door het water van de Volme naar zijn fabriek te leiden, kon Moll de drijfkracht van het water benutten en He wol der talrijke schapenkudden van ’het Sauerland werd, na in de onderscheidene afdeelingen der fabriek verschillende bewerkingen ondergaan te hebben,’ tot een belangrijk handelsproduct verwerkt.
Gesteund werd Moll door den Koning van Pruisen, die groote lakenbestellingen deed voor de kleeding zijner talrijke soldaten. Friedrich gaf voor alle arbeiders op de fabriek vrijstelling van contributie, wat de door de familie Kirchof, nazaten der vrouwelijke lijn Moll, in Hagen, bewaarde „Schutz-brief" ons vertelt:
.,Nachdem seiner Königlichen Majestat in Preuszen, un-serem allergnadigsten Herrn, vorgetragen worden, was-maszen ein Tuchmacher und Handelsmann, namens Christian Moll aus Lennep in die Grafschaft Mark nach Hagen zu ziehen und daselbst eine Tuchfabrik anzulegen gewillt sei; seine Königliche Majestat auch solcher sich allergnadigst gefallen lassen und wollen, dasz gedachter Fabrikant und Tuchhand-ler sowohl als seine Kinder, auch Gesellen und Jungen, welche er zu Behuf seiner Fabrik in das Land bringt, von der Werbung ganzlich freibleiben soll, Also befehlen wir sie allen Dero hohen und niederen Offizieren und Soldaten zu Fusz und zu Pferde hierdurch in Gnaden und allen Ernstes sich danach gehorsamst zu achten und weder dem gemeld-eten Christian Moll noch seiner Kinder und Leute auf einerlei Weise zu Kriegsdiensten zu nötigen oder denselben Ange-legenheit zu verursachen."
Signatum Berlin, den 17 Juni 1740.
w. g. Friedrich."
Johann Christiaan Moll’s naam is met den grooten bloei van Hagen onafscheidelijk verbonden. Zijn oudste dochter Clara Maria huwde Bernhard Georg Scheibler, later bankier in Montjoie (bij Eupen), die eerst als lakenfabrikant tot de verbetering van het soldatenlaken bijdroeg en daarom in den adelstand als Edler von Scheibler verheven werd. Zoo werd nu het Mollschewapen: 3 ’Mollen, de rechterhelft van het Von Scheibler wapen, terwijl de linker den bok voerde.
De tweede dochter Anna Helene huwde den beroemden koninklijken Advocaat Dr. Emminghaus.
Zijn oudste zoon, ook Johan Christiaan Moll, geb, 7 Dec. 1736 te Lennep, overl. 4 Sept. 1811 te Hagen, volgde zijn vader in de fabriek op.
Door rijke vakkennis, door hem in zijn jeugd in de fabriek van zijn zwager Scheibler opgedaan, wist hij de fabriek van zijn vader tot hoogeren bloei te verheffen. Met 23 weefstoe-len, waaraan 122 arbeiders werkten, produceerde de fabriek jaarlijks voor 22 duizend Taler laken, dat voor ’t grootste deel naar Holland, Hannover en Munster afgezet werd. In 1797 telde Hagen bij de 1800 inwoners, waarvan er 203 mannen bij Moll werkzaam waren.
Hij huwde 1774 met Clara Catharine Rupe uit Iserlohn, die hem 3 kinderen schonk.
De oudste Johann Christiaan Moll, geb, 13 Febr. 1775 te Hagen, huwde 2/9 1800 met Helena Maria Dahlenkamp (Overl 7 Sept. 1818). Uit dit huwelijk waren 2 jong gestorven zoons en 3 dochters.
De jongste, Carl Wilhelm Moll, geb. 13 Febr. 1780 overl. 23 Febr. 1855, huwde niet.
Die twee zoons waren, later met August Voswinkel (22 Mei 1838 gehuwd met een der dochters van Joh. Christiaan Moll: Emma Elvira Moll, dus een neef) leiders der fabriek.
Carl Wilhelm Moll was behalve fabrikant, ook plaatsvervangend „maire" der stad. Zijn naam bewaart de Moll-„strasze" in Hagen tot den huldigen dag.
Na den dood van Johann Christiaan Moll (l Aug. 1844), waren Carl Wilhelm en Voswinkel de directeuren, welke laatste in 1855 de fabriek overnam, ze echter in 1874 verpachtte, Het huis der familie Moll de ,,Potthof", was door zijn gastvrijheid en smaakvolle inrichting bekend. De kamers wisten er te vertellen van schitterende feesten en den intrek van beroemde personages, o.a. logeerde er de ,,Ake Blücher" op zijn doorreis naar het slagveld van 1814 en de Kroonprins van Pruisen, de latere koning Frederik Wilhelm IV. Minder aangenaam was de herinnering aan het verblijf van Jerome, den koning van Westfalen.
Het Lenneper geslacht Moll is thans verspreid over Duitschland (Hamburg, Hannover, Blyenburg, Lüttringhau-sen, Monheim, Dusseldorff, Osnabrück) verder in Engeland en Amerika, De fabriek te Hagen diende vanaf 1880 tot andere doeleinden en werd eindelijk gesloopt. Wat Winckhaus (z.o.) citeert bij de bespreking van het geslacht Moll in Hagen, is wel toepasselijk: ,,Was die Alten gebaut Mussen die Jungen unter Dach halten.’ De ondergang der Hagensche lakenindustrie voerde tot de opheffing der oude Firma Christian Moll in 1880. Van de groote bezitting van Moll, was slechts een oude pereboom overgebleven en niemand eert in hem den laatsten getuige van een gelukkige tijd, die zoo nooit terugkeeren zal.
(Winckhaus: ,,Wir stammen aus Baurn und Schmiedege-schlecht" 1933,
Erwin Stein: „Das Buch der Stadt Hagen", 1928.
Mededeelingen van den Gemeentearchivaris, de Heer P, Windgassen, te Lennep en den Heer F. Schragmüller, oud-burgem. te München.)
(Wordt vervolgd.)
 
Werft leden en donateurs voor de Vereeniging „Families Mol(l)"!
 
5e Jaargang No. 19 1 Oct 1935
Uit Verleden, het Heden
[Driemaandelijksch tijdschrift der Vereeniging „Families Mol(l)"]
REDACTEUR: Dr. W. H. Moll, J. v. Oldenbarneveltlaan 21, Amersfoort
 
ONZE FAMILIENAAM. -
INLEIDING.
Zeer zeker heeft een onderzoek naar de beteekenis van den familienaam zijn aantrekkelijke zijde, wanneer die naam behoort tot de oudst voorkomende. Daar men eerst eeuwen na de invoering van het Christendom doop- en familienamen ging onderscheiden, komen vaste familienamen, die van geslacht op geslacht overgingen, vóór het jaar 1000 niet of weinig voor. Personennamen werden vanaf de oudste tijden afgeleid van een of andere eigenschap van het individu, of berustten op een vergelijking, (Sophocles, „beroemd door wijsheid", Bernard „bern-hart", „zoo sterk als een beer").
Het materiaal voor de doopnamen vormden sinds de invoering van het Christendom de namen der Heiligen, waarbij de bovengenoemde innerlijke eigenschap van de verwachting der ouders getuigde, dat het kind mocht worden als de Heilige.
Nakomelingen werden in alle tijden aangeduid door middel van een achtervoegsel (Pelopides „nakomeling van Pelops"); zoo ontstonden de patronymica op „ing - ung - sen - son - itch - owna" enz.
De eigennamen werden op vele wijzen gevormd: vaak werd iemand benoemd naar een huis, een hof, een landstreek, een ambacht (Torbecke, „bakker bij de poort", Schwab, Meier („major") óf naar een plaats (voorbeelden: Rolf van Goor (1227); Herman van Woerden (1275). (Niet- en wél adellijke personen.), óf menschen kregen diernamen, op grond van een uiterlijke of innerlijke eigenschap, welke diernamen als cognomen (bijnaam) attributief verbonden werden door „dictus", (genoemd) of „dit". -
De vraag: „Waarvandaan komt de naam Mol(l)?" is voor mij in de zeven jaren, dat ik me met ’genealogie bezig hield, van groot belang geweest. Daar n.l. onze familienaam talrijke varianten heeft en het van aanverwante namen wemelt, is het onderzoek naar de geslachten Mol(l) zeer moeilijk en...... zeer verantwoordelijk! Ik heb mijn oor te luisteren gelegd, tallooze bronnen bestudeerd en veel adviezen ingewonnen. De resultaten hiervan mede te deelen, is doel van dit opstel, Dat een welwillende en opbouwende critiek het onderzoek moge verdiepen! -
I. Welke beteekenissen heeft het woord MOL?
1) het muziekteeken voor de kl. terts-toonaard. Dit is aan het Latijn ontleend („Mollus" - week, zacht) en is in de 10e eeuw door Otto van Clugny ingevoerd (uit: Rieman, Musiklexicon).
2) fijne doorzichtige stof voor vrouwenkleeding en toga’s (een soort „tulle", vgl. molton, zachte wollen stof).
3) schuit met platten bodem (uit: Van Wijk, Middelnederlandsch Handwoordenboek). (Misschien is hier te denken, wegens den puntigen vorm, aan het open water maken.
4) een brouwsel - In de 16e en 17e eeuw en later komt deze beteekenis voor in Rhenen, Nijmegen, Loohem, Brabant en Z. Nederland, thans nog in Duitschland. Niet onmogelijk schijnt mij een verband met „Mout", „Malz" en dan zou deze beteekenis samenhangen met een germaansche wortel „melt": „smelten, zich oplossen". -
5) „nap", „kom". In de 17e eeuw heet een nap een Molle, vgl. Duitsch „Mulde", oud-duitsch „muoltera", waarschijnlijk behoorende bij „mulctra", lat. - melkvat (uit: Kluge, Etymologisches Wörterbuch, 11e Aufl.).
6) salamander, het Duitsche „Molch", dat omstreeks 1500 ontstaan is uit „Mol+ch. (uit: Kluge, Etymologisches Wörterbuch, 11e Aufl.). Het wapen van de familie Moll van Biel (Zw.) is een zoogenaamd „sprekend" wapen (uit: Dictionnaire historique et biographique de la Suisse, 1923) en vertoont een salamander „Molch", „mouron" (fr.), aan een gouden paal. Het geslacht stamt van Steffen Moll (-1555), en is met de geslachten „Moll" van Dulliken, Olten, Lostorf e.a. waarschijnlijk terug te brengen tot den starn Egerkingen (bij Solothurn), waarvan twee naamdragers in 1476 deelnamen aan de Bourgondische oorlogen.
7) stier, vgl. „Mollkopf" (stijfkop). Deze beteekenis hangt samen met een germaanschen stam „mödhas" = toorn. (uit: Heintze-Cascorbi, „Die deutschen Familiennamen" 1925)
8) naam van het bekende dier, in het middelnederl. reeds „mol", de verkorte vorm van oudduitsch „moltwerf" of „muwerf", duitsch „Maulwurf". (uit: Kluge, t. a. p.) De beteekenis is „zandopwerper". Den germaanschen woordstam ,,mü" vindt men in den titel van een oudbeyersch geestelijk gedicht van de 9e eeuw, waarvan het handschrift in München bewaard bleef, dat luidt: „Muspilli" = verwoesting („spellon") van de aarde (mü) en dat betrekking heeft op de zondvloed. De vorming „müwerf" kan analoog geschied zijn met het latijnsche „talpa", ,,op-hooper" (uit: Prellwitz, „Lat. etym. Wörterbuch.), dat oorspronkelijk als aanduiding van den door het dier opgeworpen „aardhoop" te verstaan is. (uit: Walde, „Lat. etym. Wörterbuch", 2e Aufl. 1910.)
Nu gaan de stammen „mü" en „molt" op een wortel „mei" terug (lat. „mo-lere") = wrijven, malen, echter met de beteekenis van datgene, wat gewreven, gemalen wordt, n.l. van aarde, zand.
In verband hiermede wijs ik op het van af de oudste tijden voorkomende „Mollem", zachte aarde (terre meuble), zoowel in domeinen van de kerk als van een heerlijkheid bekend, (vgl. de plaats „Molhem" tusschen Termonde en Brussel.)
 
II. Een verklaring voor den familienaam „Moll" geven Heintze-Cascorbi, t.a.p.
Als stam nemen zij aan „módhas", een germaansche vorm, met de beteekenis „moed-toorn". Van dien stam luidt het verkleinwoord „model", „mudel", „müt-tel" en hieruit ontstaat door samentrekking „mohle"-„Molle"-„mol".
In hoeverre deze verklaring wetenschappelijk is en of ze de juiste is, kan ik niet beslissen. Gewrongen schijnt ze mij zeer zeker.
Heintze Cascorbi scheidt zeer streng de familienamen „Mol" en „Moller"; de laatste behoort etymologisch bij den stam „mei" = malen, evenals „molen" of ,meulen" (m.nederl. „molene, molne, mole", oudduitsch „mulin, muli"; de grondvorm „mulina" is ontleend aan een middellat. vorm „mölina", oudlatijn „mola").
Fundamenteel is er geen verschil in de stammen „mü" (I.8) en „mei", maar de jongere Germaansche stam „mü" heeft een totaal andere beteekenis dan de oudere Latijnsche wortel „mei". „Mü" beteekent in de 9e eeuw zonder eenigen twijfel „aarde, zand".
Belangrijk is het feit, dat de oudste naamdrager Mol reeds kort na 1100 gedocumenteerd is, terwijl de tot nu toe bekende oudste documentatie van Moller is 1530 in „Berend Moller" te Lochem.
Een theorie, steunend op etymologie en historie zal dus de genealogieën Mol en Moller scheiden. Echter ook hier liggen theorie en practijk met elkander overhoop. Uit meerdere voorbeelden laat ik één uitvoerig gegeven volgen:
Doopboek van Scherpenzeel:
„29 Nov. 1618 ged. Thoenis van Lammert Moller en syn huysfrowe Methgen."
Daarnaast: „9 Jan. 1623 „Mechteld Petersch, nicht van Dirk Thomas van Cantelbercq, huisvr. van Lammert Moll." (uit: Transporten Wijk bij Duurstede: Testament van Ds. Thomas van Cantelbercq, Rijksarch. Utrecht)
en 29 Sept. 1628 „Huwelijksche voorwaarden van Lambert Peters Moll en Sophia Hendricx, waarbij de bruidegom inbrengt de huizen te Wijk, verkregen door er-ving van Dirk Thomas. Getuige is zijn broer Thoenis Peterz. Moll". (uit: Notarieële Acten van Notaris E. van Mulenborch te Amersfoort, ibidem)
Indien dus ergens, dan is hier terecht een vingerwijzing voor groote voorzichtigheid in de genealogie Mol-Mollet op zijn plaats.
Gebleken is mij, dat juist in de 16e eeuw een enorme verandering in de namen plaatsgrijpt, in dien zin, dat alle mogelijke varianten dan optreden.
Men diene dus niet angstvallig vast te houden aan den naam Mol c. s„ maar ook met het trekken van conclusies bij den naam Moller en varianten 1) uiterst voorzichtig te zijn!
De reden op te geven van de verwarring van de twee etymologisch gescheiden namen, is zeker niet doenlijk. Men kan gissen, dat hier het beroep van „molenaar, mulder, molder" de oorzaak was, elders een Moll: „Molle" heet 2) en de naam „Molle" in den Achterhoek de „molen" aanduidde, maar dat met deze naamsverwarring vanaf 1500 rekening gehouden moet worden, is een feit geworden.
Uit authentieke gegevens is mij gebleken, dat in de 16e eeuw en later de zelfde personen de varieerende namen dragen: Mol, Mols, RetMoll, RetMolle, Wenninckmeule, Moller, Mulder, Mollen, Mollers, dat de Moolre ook voorkomt als de Molde, Moelert gelijk is aan Mul; van der Molen staat voor Mullart, Mu-lert en GrummersMolle in naaste bloedverwantschap zijn, dat Ds. ter Moelen is...... Ds. Mollerus! enz. enz. -
 
1) Molder, te Molder, Molt, Molten. v. d. Mole, ter Mole, ter Moolen, de Molre, de Moolre, ten Moller, Moeier, ter Moller, Moler, ter Mollen, ter Mols, ter Molle, te Moller, Molre, Moellert, de Moulre, RetMolle, Wenninckmeule, BickMolle, RietMolle, ReetMolle, BroeksMolle, ten Molenbrugge, ten Mollebrug, etc. etc.).
2) vgl. o.a. Kerkboek Neede (G.):
„3 Jan. 1636 wordt gedoopt Jan, zoon van Henrick Molle tot Marckfeltt en Metta ehel.
„4 Sept. 1638 id. Tonnisken van Henrick Moller tot Marckveldt en Metta ehel. Henrick Moll geh. met Mette is de zoon van Jan Moll, Achterhoek, 1657 lidmatenboek: Mette Bunckinck, „mullersche" in Marckveldt.
 
III. Kan de familienaam afgeleid zijn van een plaatsnaam?
a. In verband met den naam Hugo de Molle en de namen „Johannes dictus van Molle" 1344 en „Arnt de Molle" 1358 wordt verwezen 3) naar de plaats Molne, Moulle of Moule in het Departement „Pas de Calais". (thans „Moulle" bij St. Omer).
19 Jan 1223 schrijft onder protest de Bisschop Adam van Theouranne over inbreuk op het asylrecht der kerk, gepleegd door Ridder Hugo de Molle, die uit de keuken van het klooster St. Bertin de St. Omer twee personen opgelicht had, die daar asyl gezocht hadden. s)
b. Den zuiveren naam Moll ken ik slechts van twee plaatsen in Europa, n.l. Moll bij Steir (Oostenrijk) en Mol(l) in Brabant (België). Vermeld zij echter, dat de geographie ons een lange lijst van plaats-, meer- en riviernamen levert, die alle met „Mol(l)" verwant zijn. Mogelijk zou een bestudeering van die namen vele verrassende resultaten leveren.
Over den ouderdom van de Fransche en de Oostenrijksche plaats ben ik met ingelicht. Het Brabantsche Mol(l) (de jongste officieële spelling in druk op een ambtelijk schrijven van den Burgemeester ter plaatse is met één L), is zéér oud. Reeds in 774 schonk de heilige Adalardus, neef van Karel den Grooten, priester en monnik van de Abdij Corbie bij Amiens, (gestorven 2 Jan. 826), zijn goederen, onder welke Moll-Baelen-Desschel aan den abt van Corbie. 4) De heerlijkheid Mol was gelegen in de streek, die ten tijde van Cesar bewoond werd door een germaansche zwerfstam der Cimberen en Teutonen, die er voor zoover tot dusver wordt aangenomen de oudste stad van België stichtten, het „Atuatuca Tungrorum", thans Tongeren.
In 1559 verkocht de abt, die toen kardinaal van Bourbon -was, alle goederen der abdij in België (en daartoe behoorden zeer vele plaatsen) en de heerlijkheid Mol kwam in bezit van Godefroid de Bolcholz. 5)
In 1626 werd de heerlijkheid gekocht door Réné de Mol (misschien wel om het eigenaardige gelijk klinken der namen), uit het oude geslacht de Mol, die heeren van Oetingen (bij Brussel) waren, wiens grootvader Jan de Mol (Overl 20 Sept. 1585), edelman in dienst van Prins Willem I was en burgemeester van Brussel. René de Mol, Baron van Herent, neef van den eerstgenoemden René en oomzegger en diens vrouw Diana Digby verkochten de heerlijkheid in 1656. Veel later, in 1715 was zij in het bezit van Franciscus Mols, lid van den Raad van Antwerpen, wiens zonen door Maria Theresia geadeld werden.
 
3) Index van D. Haigeneré en O. Bied. „Les chartes de St. Bertin, d’après le grand cartulaire de Dom Dewitte", St. Omer 1886, Nr. 639, p. 278.
4) L. Levillain, „Examen critique des chartes mérovingiennes et carolingiennes
de l’abbaye de Corbie". Paris 1902,
en Mededeelingen van den Heer A. Gielen, archivaris van het Rijksarchief te
Antwerpen.
5) Jourdain en van Stalle, „Dictionnaire de geographie historique". en Cocheris, „Notices et extraits des documents manuscrits conservés dans les depots publiés de Paris et relatifs a l’histoire de la Picardie," t.1. pp. 545-663).
 
Het wapen der gemeente Mol, bij Kon. Besl. van 20 Dec. 1846 vergund, gelijkend op dat van René de Mol, is wellicht ten onrechte daaraan toegekend en verkeerd gekleurd. 1)
De plaatsnaam is voor zoover thans bekend is, veel ouder dan de persoonsnaam „de Mol".
Volledigheidshalve vermeld ik, dat het omgekeerde, dat n.l. een plaatsnaam van den persoonsnaam afgeleid is, ook voorkomt, vroeger en in veel lateren tijd. Ik herinner slechts aan de plaats Moll Aousul in Afrika bij het Tsaad Meer, benoemd naar luit. kol. Alexandre Marie Frédéric Henry Moll, geb. 16 Maart 1871 te Saulx, zoon van Fr. X. P. A. Moll en C. A. Guilbert, gesneuveld 9 Nov. 1910 op die plaats, een beroemde persoonlijkheid, vriend van den grooten staatsman Poincaré en voor wien een standbeeld werd opgericht te Vitry Francois.
Reeds vóór 1600 wordt een hoeve of huis benoemd naar de familie; b.v.: „In de Mol", „In de drie Mollen", „Molshoeve", „Molsplaats", „Mollencamp", „Mollendal", „Molshuis", „Molstraat", enz.
Waar nu de tot heden bekende oudst voorkomende geslachten Mol(l) voorkomen in Brabant en in Oostenrijk, zooals uit de citaten op p. 5 zal blijken, ligt het voor de hand, de op p. l genoemde mogelijkheid van afleiding der eigennamen van een plaats ook bij den naam Mol(l) aan te nemen in vele gevallen en aan te sluiten bij het oordeel van Johan Winkler 2), dat luidt: „De naam van een stadje in de Kempen is ook Moll en aan die plaats kan het eene of het andere geslacht van de talrijke geslachten Moll ook wel den zijnen hebben ontleend."
Aan deze voorzichtig geformuleerde uitspraak van zeventig jaar geleden, dient hier hulde gebracht te worden!
 
1) „Kempisch Museum", Turnhout, deel III, 1892-97: J. Th. de Raadt „Eenige Aanteekeningen op Moll - Baelen en Desschel.
2) J. Winkler, „De Nederlandsche geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis" 1865.
 
IV. Wanneer ik nu uit de honderden citaten van naamdragers vóór 1400, eenige voor dit opstel belangrijke laat volgen, dienc men drie groepen te onderscheiden:
a) die namen, die vergezeld gaan van het partikel de (later ook „van")
b) die, waarbij „dictus", „dit" of „le"
c) die, waarbij géén partikel staat.
Daarbij zullen de verschillende bekende terreinen aan de beurt komen.
Duitschland: Württemberg: Albrecht der Molle 1324 Stuttgart. Sinzig a.Rh.: Heynrich Moll 29 Sept 1275 (Markerliste). Arnsberg: Johannes Moll 1278. In alle andere gebieden van Duitschland komen naamdragers later dan 1400 voor (Berlijn 1600 - Lübeck 1500 - Karnthen 1725 - Biberach 1485 - Rattesburg 1421 -Mauren 1556 - Braunschweig 1700 - Aken 1400 - Lennep 1470 - Mecklenburg, Pommeren 1600 - e.a.). De 3 israëlitische families Moll in Rheydt, Warschau en Lissa hebben den naam „Moll" in 1810 aangenomen).
Hongarije! bekend als oudste: Venizel Moll uit Modrevicz, gehuwd in 1598; het geslacht werd 1680 adellijk.
Zweden; een hier geïmmigeerd Duitsch geslacht uit de Pfalz ± 1730.
Zwitserland: zie p. 2, 1474.
Spanje: ondanks ernstige pogingen geen inlichtingen: misschien zijn de families Moll aldaar afstammelingen van Freerc Moll uit het Sneeker geslacht, die daarheen 1650 emigreerde.
Frankrijk: Slechts bekend de geslachten Moll uit Colmar 1700 - Eschentzwil-ler 1720 - Teygersheim 1750 - Wangen 1747. Evenzoo die uit Straatsburg, Metz, Mülhausen.
Engeland: bekend de immigratie der messensmeden Moll uit Solingen ± 1650.
Afrika: immigratie van Hollanders en Duitschers eind 18e eeuw.
Amerika: zeer sterke immigratie van Hollanders, Duitschers, e.a. in de 17e en 18e eeuw en later.
Oostenrijk: bekend zijn een beroemd beeldhouwersgeslacht ± 1650 en het sedert 1555 adellijke geslacht „von Moll", waarvan als oudst gedocumenteerde voorvader is Rudgerus DE Moll in Passau, die 1200 daar de „Mollenhof" bewoonde en wiens kleinzonen heetten Leuppold der Moll, André de Moll, Nicla der Moll.
Holland: als oudste naamdrager is bekend Arnoldus Mol, een hoorige, die 1186 „cum uxore sua et eorum liberis" rechten van dienstman krijgt van het kapitel van St. Jan van Utrecht.
Alle in ouderdom overtreffend zijn de notities uit Zuid Nederland en Fransen Vlaanderen:
KORT NA 1100 getuigt Baldricus DE Mol bij een restitutie van landerijen aan de kerk St. l’Evangéliste te Luik. 1)
1227 Woitinus filius domini Hugonis Mol, scabinus Yperen. 2)
1230 Balduinus Mol, schepen. 3)
1288 Gilles dit Mol, notaris Tournai. 4)
1297 Hannekin, filius Gillien le Mol, Ydrrigihem.5)
1304 Henricus de Molle, unum bonarium terre apud Brouchem (bij Brussel). 6) Johannes de Molle, filius Henrici de Molle, ib. 6)
1304 Reynerus, successor castellani de Mol. 6)
13e eeuw. Wilhelmus filius demol XII d. (census de Axla (Axel). 7)
1314 Pieter den Mol, schepen „van den Cuere", Gent. 8)
1314 Jan de Mol, pachter van wijn en visch, Gent. 8)
1360 Casis de Mol, schepen. 9)
1372 Henricus dictus Moll, bastionarius dicte ecclesie. 10)
In Brussel vindt men sinds 1345 ridders „de Mol" (Arnou, Rudolf, Gisbert, Gillis, Thierry de Mol) als schepen en van af 1439 met Jean de Mol naast schepenen en ontvangers tot 1541 negen maal burgemeesters de Mol. 11) Misschien behoort tot dit geslacht Ivain de Mol, 1468 schout van den Bosch.
In Holland zijn mij verder bekend vóór 1400:
1343 dominus Henricus Mol in Delden.
1344 Johannes Mol, „rotatus", te Deventer. 1369 Roelof Mol, gemeentebode Deventer. 1397 Simon Jans Mol, priester m Vlaardingen. 1397 Berent Mol, ceurnoot in Hunnepe. Eerst in de 16e eeuw komt de Mol voor:
±1566 huwt Agatha van Velsen met Anthony de Mol in Leeuwarden. 12) In de 16e eeuw noemden zich in Zeeland, Brabant en Dordrecht vele dezelfde personen de Mol, van Mol en Mol.
 
1) L, Lahaye, Inventaire analytique des chartes de la collegiale de St. Jean l’Evangéliste, a Liège (t. I Bruxelles 1922, p. 5).
2) Chronica et Cartularium monasterii de Dunis I (Bruges 1864), p. 360.
3) A. Pruvost, Chronique et cartulaire de l’abbaye de Bergues-Saint-Winoc I (Bruges 1875), p. 219.
4) J. de Saint-Genois, Inventaire analytique des chartes des comtes de Flandre, Gand 1843, Nr. 473, p. 143.
5) Rijksarch. te Gent, Chartes des comtes de Flandre, Inventaire de Gaillard, Nr. 83
6) L. Galesloot, Le livre des feudataires de Jean III, duc de Brabant, Bruxelles. 1865.
7) Rijksarch. te Gent, Fonds der abdy St. Pieter van Gent, 2e Serie Nr. 28.
8) Vuylsteke, Comptes de la ville de Gand, p. 81.
9) Rijksarchief Brugge, „Fonds du Franc de Bruges", Chartes 239. 10) J. Pacquay, „Cartulaire de la Collegiale Notre Dame a Tongres", Tongres 1909, 228, p. 492.
11) F. C. Butkens, „Trophées tant sacrées que profanes du duché de Brabant" T. II. La Haye 1724.
12) Friesche Adelsboek.
 
V. Tot welke conclusies wettigen voorafgaande beschouwingen?
1e. De historische zoowel als de etymologische bronnenstudie wijzen er op, dat voor de oudst gedocumenteerde naamdragers twee naamafleidingen naar voren komen:
de a-groep met „de" geeft de afkomst van een plaats aan,
de b-groep met „dictus, dit, le" wijst er op, dat de eigennaam den diernaam tot oorsprong heeft en een „cognomen" is,
dat er bij den naam „Mol" een partikel verloren is, schijnt mij duidelijk, welk
partikel echter, is niet uit te maken.
Wisten we de afleiding van den plaatsnaam, we zouden misschien met des te meer recht de plaatsing van de „talpa" in het vignet der Vereeniging „Families Mol(l)" kunnen motiveeren. En ik denk nog eens aan de beteekenis van „Mol-lem" = zachte aarde. Pogingen, om den plaatsnaam te verklaren, en er zijn zeer vele gedaan, bleven zender resultaat.
Een laatste mogelijkheid blijft, dat het partikel „de" den adeldom der familie aanwees, maar deze mogelijkheid sluit de bovengestelde conclusie niet uit.
2e. Sterke aanwijzingen zijn er, om de geslachten Mol(l) van germaanschen oorsprong te houden.
3e. Geen de minste conclusie, wat den oorsprong betreft, kan getrokken worden uit de hedendaagsche formuleering of spelling van den familienaam: Mol-Moll-de Mol-vanMol(l) en wat den ouderdom betreft. De dubbele l schijnt mij blijvend te zijn geworden onder Duitschen invloed, daar mij uit Duitsche archieven slechts Moll bekend is, met een enkele uitzondering- n.l. 23 April 1484 stichtten een Hans Mol en zijn vrouw „Gese" een halve mark aan de kerk te Halberstadt. 4e. Voor het al of niet adellijke der geslachten is de arbeid noodig van een bekwaam en geschoold heraldicus.
De wapens in de Mol(l)-archieven vertoonen o.a. 3 sterren, een kreeft, korenaren, een jachthoorn, een stier tusschen twee leeuwen, een boerenmerkteeken, 3 mereltjes, 5 kruislings gerangschikte ruiten (in de ramen van het stadhuis te Brussel) , ook één mol of 3 Mollen, enz.
De verklaring der symbolen in de wapens en de daaruit te trekken conclusies, ligt niet op mijn terrein, daar ik ondeskundig ben.
 
VI. Welke familienamen kunnen wij voorloopig rekenen als behoorende tot den naam Mol(l)?
a) Een groote moeilijkheid geeft de naam Mollema, het Friesche (uit: Winkler, t. a. p.) patronymikum (ma = zoon van, behoorende tot) van den vleinaam „Molle". Het verband tusschen dien vleinaam en den diernaam is mij niet gelukt te kunnen constateeren uit de van bevoegde zijde verkregen inlichtingen. Wel blijkt weer uit het oud-friesche woord „Molles-fót" (een maataanduiding met de beteekenis aardvoet, dat m het oudwestfriesche schoutrecht voorkomt) de ±in 18 genoemde beteekenis van „mol" - aarde.
Van den naam „Molle", die met „ablaut"verband (vgl. Jelle-Jolle, Meller-Moller, melm-molm) ook als Melle voorkomt, is de oudste noteering van 1449.
Nu komt de familienaam „Mollema" ongeveer 1500 voor (Sierck Mollema is ongeveer 1500 gehuwd met N. van Donia, do. van Agge van Donia en Fied van Albada, geb. te Sloten). Behalve nog eenige op zich zelf staande notities uit de 16e eeuw, vinden we een talrijke familie van dien naam in de 17e eeuw in Heerenveen. Een aaneensluitende tot heden doorloopende generatie echter is de familie „Mollema", wier stamvader Molle Mollema in ± 1695 te Drachten geboren werd en misschien aansluit bij Sierck Mollema.
Daar in Friesland vrij algemeen de familienaam verwaarloosd werd, staat hier de genealogie bij „Molle" voor een groote moeilijkheid. Een beeld daarvan geeft het volgende:
Melle Sickes, de zoon van Sicke Melles, geb. 1660 Drachten, wordt stamvader van een geslacht Sickes.- Molle Uilkes, de zoon van Uilke Rijkles, die 1684 te Drachten huwt met Lutke Molles, wordt stamvader van een geslacht Molles.
De nakomelingen van Molle Cornelisz, zoon van Cornelis Folkerts, die 1700 te Drachten huwt met Jetske Molles, heeten Molles en die van den broer van Molle, n.l. Volkert Cornelis heeten Volkerts.
Deze eigenaardige toestand in Friesland is de oorzaak van het feit, dat het Bolswarder geslacht Mol(l) tot 1811 geen eigennaam had en eerst toen, den 18den Augustus, de nakomeling van Rienc Hartmans, ± 1610 te Bolsward, n.l. Douwe Annes den naam Mol aannam. Helaas is de reden daarvan niet bekend. Wel is het waard op te merken, dat Leffert Mol uit dien stam bij overlijden heet Mollenga (4 Dec. 1894) en zijn broer Jan bij overlijden Molstra (18 Dec. 1890).
In weerwil van het feit, dat men in het algemeen weinig eigennamen in Friesland vindt vóór 1811, komt o.a. een geslacht Mol(l) van 1538 tot 1670 in geregeld aaneensluitende generaties voor in Sneek.
b) Molsen, een ander patronymikum, maar nu van Mol, is een evangelisch luthersch geslacht, dat eind van de 15e eeuw m Haverlah (Hildesheim) voorkomt en waarvan de huidige nakomelingen m Lehrte „Molsen" of „Mulsen" heeten. (De descendanten van Henning Mull 1520), n.l. Oswald Moll en Barthold Mull voerden een proces. De naam Mull of Mulsen is waarschijnlijk in de Middeleeuwen al in Denemarken bekend: het wapen, dat aangenomen wordt, wijst door de kruisen op deensche origine. 1)
Opgemerkt mag worden, dat de schrijfwijze Mull o.a. in Gelderland, Utrecht en Brabant voorkomt, evenals „Moel" en ik herinner aan Willem Moel Jansz. en zijn zoon Mr. Willem Moel, priester in den Bosch, Overl 29 Sept. 1565 en schrijver van de „Annales civitatis Buscoducensis......".
c) Aan het bovengenoemde „Mollem" (p. 6), sluit aan Van Mollem, het in Utrecht en Amsterdam bekende geslacht uit de 17e eeuw, waarvan David van Mollem eigenaar was van de hofstede „Zijdebalen" en van de door Tsaar Peter den Grooten bezochte zijdefabriek. In Zuid Nederland en in Gelderland komt de naam eveneens voor en nog veel eerder.
d) Molle, de naam, die in Frankrijk veel geregelder voorkomt dan Moll. Verder vond ik dien in Gelderland en Dordrecht (1637) en in de 18e eeuw in regelmatig voortloopende generaties in Aalst en Nijmegen en in vele naamallianties in den Achterhoek. De mogelijkheid, dat Molle aansluit bij Mollem acht ik geenszins uitgesloten, gezien het veelvuldig voorkomen van af ± 1304, en noem nog den abt van St. Ghislain, Ghislain Molle, geb. 2 Oct. 1651 te Ath, Overl 17 April 1700 te Mons. 2)
e) Andere patronymica zijn Molman en Molling (Mollink).
f) Evenzoo Mols, waarvan o.a. een Antwerpsch geslacht uit de 17e eeuw bekend is, maar waarvan ik eerder noteerde:
1325 Zoetine Mols 3)" en met voorgevoegde s:
1327 Ja. s Mols weduwe. 3)
1376 Kateline s Mols 4), incommelingh van Overschelde in Nederename.
en andere na 1400.
g) Mollevanger, misschien een combinatie van Fangen en Moll en samenhangende met deze twee geslachten, welke naam telkens varieert met Mol (Utrecht): Stoffel Mollevanger b.v. wordt 4 April 1699 begraven en staat geregistreerd als Mol, terwijl hij 26 Jan. 1659 huwt als „Mollevanger". Cornelis Arienszoon Mol is de broer van Herman Mollevanger. (Het geslacht Mollevanger komt tot op den huldigen dag voor.)
h) Mollen, het beroemde valkeniersgeslacht in Valkenswaard 5), waarvan de naam wisselt met „van Mol" in Eersel en Duizel in de 17e eeuw.
 
1) Deutsches Geschlechterbuch. Bd. 36. p. 371-395.
2) A. Berlière, Monasticon beige, I (Maredsous 1890-7) p. 268.
3) Vuylsteke, Comptes de la ville de Gand, p. 413.
4) Rijksarch. Gent, Fonds de la Chatellenie d’Alost, No. 1463.
5) Rijksarch. ’s Hertogenbosch.
 
i) Demol en Démol in Maastricht, Dordrecht en België. Ik herinner aan het citaat uit de 13e eeuw p. 5 en noem het geslacht van „Jean Baptiste Demol" uit Ixelles, waarvan de afstammelingen in de 19e eeuw in Dordrecht gevonden worden,
j) De vrouwelijke lijn representeeren in Holland:
de Mol Concourt - Moll van Charante - de Mol van Otterloo - Moll van Santbergen. Een vrouwelijke lijn in eenig opzicht minderwaardigheid toe te kennen schijnt mij totaal onjuist om biologische redenen.
de Mol Concourt: Willemina de Mol, dochter van Abraham de Mol (stam Haarlem) en Wilhelmina van Vonderen, geb. 25 Dec. 1764 te Haarlem, huwde 30 April 1786 met den onderwijzer Jacobus Christoffel Moncourt, zoon van Jacob Moncourt en Marijtje Lagelie, geb. 23 April 1764 te Leiden. Hun eerste zoon, geb. 22 Maart 1791 te Cudelstaart, wordt 27 Maart gedoopt als Salomon Sieu-wert de Mol Concourt, de andere kinderen heeten alle Moncourt. Deze Salomon Sieuwert is de stamvader van het geslacht de Mol Moncourt.
Moll van Charante! Jacob van Charante, geb. 7 Oct. 1831 Rotterdam, zoon van Dr. Gabriel van Gharante en Maria Moll (de dochter van Jacob Moll (stam Wageningen) en Maria Petronella Melchers, voegde bij Kon. Vergunning van 16 Sept. 1832 den naam van zijn moeder bij den zijnen en werd stamvader van het geslacht Moll van Charante.
de Mol van Otterloo: Petronella de Mol, ged. 14 Juli 1715 te Amsterdam, dochter van den timmerman Adriaan de Mol (stam Goes) en Elisabeth Kordes, huwde 28 Juni 1740 met Willem van Otterloo, zoon van Cornelis van Otterloo en Magdalena Brouwer, geb. 23 Juni 1716 Amsterdam. Hun zoon Adriaan, geb. l Dec. 1741 Amsterdam en diens nakomelingen heeten de Mol van Otterloo.
Moll van Santbergen Theodora Mol, ged. 16 Febr. 1786 te Wageningen, dochter van Jan Mol (stam Wageningen) en Anna Beumer, huwt met Gerhard Jan van Santbergen, banketbakker te Arnhem. Hun zoon Gerhard Jan Moll van Santbergen, geb. Dec. 1810 te Arnhem werd stamvader van het geslacht Moll van Santbergen.
Opmerking: De familienaam Moll Schnitzler dankt zijn ontstaan aan het feit, dat Christiaan Moll, geb. 25 Maart 1829 Rotterdam, zoon van Cornelis Moll (stam Velp) en Lammina Elisabeth Land bij Kon. Besl. van 9 Mei 1841 den naam Schnitzler toegevoegd kreeg aan zijn naam, door zijn vader, op vriendelijk verzoek van nicht Maria van Loo, wed. Christiaan Schnitzler, die 5 Oct. 1841 te R’dam overleed. Van vrouwel. lijn is dus hier geen sprake.
k) De geslachten Mol(l) met dubbele namen in België hebben hun naam gevormd in navolging van de Engelsche gewoonte, den naam der moeder vóór dien van den vader te plaatsen en waarvan ik een voorbeeld geef met den naam van een der eereleden der Vereeniging „Families Mol(l)", n.l. Justus Reiniger Moll (zoon van Alexandre Henry Moll (stam Haltern) en Viola Belle Reiniger).
Als zoodanige niet de vrouwelijke lijn voorstellende, noem ik de Mol Volckaert - Moll du Pré - Molle Ligny - Demol Greins en als voorbeeld van achterplaatsing van den naam der moeder: in Parijs 1935 „Moll Guineheux".
l) Naast de huidige namen van der Mol, van de Mol, van Mol, van Moll, de
Moll en de Mol zijn de geslachtsnamen Mol en Moll wel het meest voorkomend in het vele tienduizenden namen bevattende archief der Vereeniging.
 
Ik wijs er nog op, dat de geslachten Molanus (een reeds 1631 te St. Maartensdijk voorkomende burgemeestersfamilie) en Molineus (in Bolsward huwde 14 Aug. 1681 Ds. Lovius Molinaus, pred. te Leekum met Geertie Entsema) hun naam afleiden van „molen" en „malen".
Eigenaardig is het volgend feit: Christine Margaretha Brasz (1736-’73) uit het in Wermelskirchen bij Lennep bekende geslacht ,,Brasz" huwt Johann Wilhelm Molinaus en haar tante Anna Maria Brasz trouwt den Lenneper fabrikant Peter Daniel Moll Verleidelijk is het, aan een verlatijnizeering van „Moll" te denken, bij onderzoek is het me gebleken, dat het geslacht Molinaus nog in 1538 „Yn dem Berge" heette, naar een hofstede, terwijl de stamvader van Peter Daniel Moll, Dietrich Moll, reeds 1478 het burgerrecht van Lennep bezat.
Voorloopïg moet ik het uiterst belangrijke onderwerp laten rusten. Ik dank den lezer voor zijn welwillende aandacht, maar hij moge nog twee opmerkingen mij veroorloven.
Ongetwijfeld zijn er nog vele hiaten en misschien wel zware fouten in deze samenvatting. Moge echter een welwillende critiek er duchtig het mes in zetten en de hiaten aanvullen of de fouten aanwijzen. Des te vruchtdragender zal deze studie zijn voor de juiste motiveering van de beteekenis van den familienaam en voor het vaststellen van grondlijnen in de bestudeering der geslachten Mol(l), welke lijnen wellicht tot heden gebrekkig waren; immers voorop wil ik stellen, dat mijn zoeken en pogen oprecht gemeend is.
In de tweede plaats rest mij ten slotte een woord van hartelijken dank te richten tot hen, die mij op etymologisch of historisch gebied krachtig gesteund hebben door het geven van inlichtingen en wenken en het verschaffen van materiaal. Met name noem ik hier de Hooggeleerde Heeren Prof. Dr. Siebs te Breslau, Prof. Dr. G. Gosses te den Haag, de Zeergeleerde Heeren Dr. H. Sparnaay te A’foort, Dr. J. Loopstra te Hilversum, de Heeren P. Estienne, archivaris van het Rijksarchief te Amiens, A. Gielen, conservator van het Rijksarchief te Antwerpen, en vooral den Heer Drs. P. C. Boeren te Etten, die enorm veel materiaal opdiepte uit de archieven van het Rijk en de Kerk in België! En last not least, dank ik hem, die hier niet genoemd wenschte te worden, maar door wiens diepe en hoogst ernstige studiën in de Mol(l)-Genealogie mijn inzicht in recenten tijd verruimd en verdiept mocht worden!
Amersfoort, Sept 1935. Dr. W. H. Moll.
 

Werft leden en donateurs voor de Vereeniging „Families Mol(l) ! -

© Jan Wies 2017 | j.wies@planet.nl | Kruislaan 28, 2131WD Hoofddorp | telefoon: 023 5636680 Sponsored by Clic2connect