Tekst   Foto's
HOME    
uVhH 1931-32 Deel 1
uVhH 1931-32 Deel 2
uVhH 1932-33 Deel 1
uVhH 1932-33 Deel 2
uVhH 1933-34 Deel 1
uVhH 1933-34 Deel 2
uVhH 1934-35 Deel 1
uVhH 1934-35 Deel 2
uVhH 1934 Verslag
uVhH 1935-36 Deel 1
uVhH 1935-36 Deel 2
uVhH 1936-37 Deel 1
uVhH 1936-37 Deel 2
Talpa 1936-37 Deel 1
Talpa 1936-37 Deel 2
Talpa 1937-38 Deel 1
Talpa 1937-38 Deel 2
Talpa 1937-38 Deel 3
Talpa 1938-39 Deel 1
Talpa 1938-39 Deel 2
Talpa 1939-40 Deel 1
Talpa 1939-40 Deel 2
Talpa 1940-41 Deel 1
Talpa 1940-41 Deel 2
Talpa 1941-42 Deel 1
Talpa 1941-42 Deel 2
Talpa 1942-43 Deel 1
Talpa 1942-43 Deel 2
Talpa 1943-
Talpa 1946-
Talpa 1948-
Talpa 1949-
Catalogus Archief Deel 1
Catalogus Archief Deel 2
Catalogus Archief Deel 3
Fam Mol Stam Hekelingen 1
Fam Mol Stam Hekelingen 2
Fam Moll Stam Velp Deel 1
Fam Moll Stam Velp Deel 2
Fam Moll Stam Velp Deel 3
Fam Mol Zeeland Deel 1
Fam Mol Zeeland Deel 2
Fam Mol Zeeland Deel 3
Fam Mol Zeeland Deel 4

 4e Jaargang No. 13               1 Juli 1934

Uit Verleden, het Heden
[Driemaandelijksch tijdschrift der Vereeniging „Families Mol(l)"]
REDACTEUR: Dr. W. H. Moll, J. v. Oldenbarneveltlaan 21, Amersfoort
 
MEDEDEELINGEN VAN HET BESTUUR.
Op de Zesde Algemeene Vergadering van Leden en Do nateurs, gehouden Zaterdag, 14 April, te Utrecht, werd de Penningmeester, de Heer J. Moll te Utrecht, die reglementair aftrad, met algemeene stemmen herkozen. De respectievelijke Jaarverslagen werden goedgekeurd, de kas van den Penningmeester was door de Kaskommissie in orde bevonden; den Heeren G. van der Zandente Apeldoorn en M. Mol te Vierpolders, wordt hier dank betuigd! De eerste werd met Mej. W. M. Moll te Amsterdam voor 1935 tot leden dier Commissie benoemd. Met algemeene stemmen werd de Heer Mr. J. R. Moll te Springfield (Mo) wegens zijn groote verdiensten voor de Mol(l)-Genealogie tot Eerelid benoemd. De Secretaris hield daarna een lezing over het doel en nut onzer Vereeniging, welke lezing op voorstel en op kosten van het Bestuur gedrukt wordt en aan de leden en donateurs in dit nummer als bijlage wordt toegezonden. In ruime mate wordt tevens die lezing als propagandamiddel gebruikt. Na rondvraag werd de vergadering gesloten.
 
Als lid zijn toegetreden:
de Heer K. Th. W. Moll, te Brieg (Breslau). (St. Gruibingen).
de Heer F. C. P. Moll, te Vlaardingen, Stationsstr. 384. (St. Velp).
de Heer H. Mol, arts, Daal en Bergschelaan 100, den Haag. (St. Hoogeveen). (in vorig nr. abusievelijk als donateur opgegeven)
als donateur:
de Heer H. Moll, Oldenbarneveltlaan 21, Amersfoort. (St. Achterhoek).
 
Nieuwe werken der Bibliotheek:
95 Dr. J. Moll van Charante, ,,Het Sulfoniso boterzuur en eenige zijner derivaten, (Diss, Leiden, 1904). (Schenking v. d. Schrijver).
96 Chemisch Weekblad 31 Jg. 12, met portret van wijlen Prof JW Moll, (Schenking van den Heer H. Moll, Dordrecht).
97 Th W en Dr Fr Moll, Die Geschichte der Lederfabrik „F W Moll". (Schenking van den Heer K Th W Moll, Brieg).
98 Ds, J, Moll Jansz, „Feestwoord bij de wijding van het Nieuwe Weeshuis, 5 Nov. 1867". (Schenking v. d. Hr. F, Oudschans Dentz, den Haag).
99 W, Moll, „De rechten van den Heer van Bergen op Zoom". Diss, 1915. (Schenking van id.)
100 Kroniek van Harderwijk (1231-1931). (Schenking van Dr. W H Moll).
 
„FAMILIEDAG",
Het Bestuur wil nog eens een poging doen tot het houden van een familiedag. Wie van de Leden of Donateurs gevoelt iets voor een samenkomst te Zeist, Hotel ,,Figi", op een middag van een werkdag tusschen 20 en 25 Augustus a.s.? Vriendelijk verzoekt de Secretaris adhaesiebetuigingen vóór l Aug. aan hem te zenden, onder mededeeling van persoonlijke wen-schen en voorkeur van een bepaalden dag. Daarna zal een ieder bericht gezonden worden.
 
BURGERLIJKE STAND,
Overleden: Maart, 1934 te Veenendaal: Aantje Mol, d. v. Hendrik Mol en Gerritje van de Pest. (Stam Rhenen).
Overleden: 31 Mei 1934 te Bussum: Antonius Josephus Averkamp, Toonkunstenaar, echtgen, v. wijlen Maria Henrica Petronella Mol. (Stam Wamel).
 
GENEALOGIE,
(Van Oud-Zutfen tot heden),
(Vervolg)
XL Donderdag na Esto initii (20 Febr.) 1556, "Heer Johan Moll procurator des conventz van Sonnenberck Carthuser ordens bij Campen."
 
Over dezen Johan Mol(l), den zoon van Johan en Trude zijn de volgende gegevens ons verstrekt door den Archivaris van het huis Bergh, den Heer Mr. H, P. van Schilfgaarde:
Hij komt in 3 acten in het archief van het klooster Sonnenberg voor:
1) 1551, 25 April: „Heer Johan Mol, pater van het klooster op den Sonnenberg".
2) 1553, 8 April: „Jan van Mol, prior op den Sonnenberg".
3) 1556, l Juli: „Johan van Mol, procurator, ibidem".
Hij teekent zich „Jan van Mol".
 
De Heer Burgemeester van Houten, Mr. H. J. J. Scholtens, die een korte biographie van hem leverde voor het Nieuw Nederl. Biographisch Woordenboek, dl. VIII, schreef ons:
Jan Mol (van Mol, van Moll), Kartuizer, overleed 11 Juli 1569 te Geertruidenberg. Hij was aanvankelijk geprofest monnik van het Kartuizer klooster ,,Nieuwlicht" buiten Utrecht, waar hij het ambt van vicarius heeft bekleed. Later heeft hij een tweede professie gedaan in de chartreuse ,(Het Hollandsche Huis" bij Geertruidenberg. In het klooster Zon-neberg bij Kampen heeft hij eenigen tijd de ambten van vicarius en procurator bekleed. Hij bestuurde dit huis als prior van 1550 tot 1555 of begin 1556. Hierna is hij teruggekeerd naar het huis zijner professie bij Geertruidenberg, alwaar hij is gestorven en begraven. (Zie Necrologium van het Kartuizer klooster te Utrecht (Bijdr. en Mededeelingen Hist. Genootschap Utrecht IX bl. 288, 11 Juli: „obiit d. Johannes Mol primo prof. hujus do., secundo do Hollandie, olim prior do. Campensis".) (dezelfde bron, p. 366: „It. do Johannes Mol, primo prof. h. do., deinde in domo Hollandie ubi obiit et se-pultus est, qui fuerat olim prior, vicarius, procurator do. Campensis et vicarius h. do.")
Het generaal kapittel der Grande Chartreuse, hetwelk jaarlijks na Paschen vergadert, meldde in 1570 zijn overlijden als volgt:
„Obiit D. Joannes Mol, profestus 1e ds Trajecti 2e ds Hollandie et olim prior, vicarius et procurator ds Campensis et vicarius ds Trajecti."
Opmerking. Dat het archief van het Huis Berg de stukken betreffende het klooster op den Sonnenberg bij Kampen bezit, wordt verklaard door het feit, dat in 1572 deze door Graaf Willem van den Berg medegenomen zijn. (Mededeeling van den Rijksarchivaris van Overijsel).
 
XLI Protocol van Kentenissen der stad Zutphen 1529-30. Garrit Moll en zijn vrouw Griete transporteeren aan Lubbe van Lie hun huis te Zutphen in de „Laerporte" in de „Koelstege" met de eene zijde aan Garrit van Borckelle, met de andere zijde aan Garrit Koepall en achterstrekkende aan Koepallsz hof.                op ten Meyavent 1530.
 
XLII Protocol van Kentenissen der stad Zutphen 1536-38. Wilhemken, echte dochter Gerrit Mols anders genaamd „die Kuyr" vermits Evert ten Brandenborch haar oom en momber, transporteert aan Gertken Wobbincks haar huis te Zutphen in de „Rodentornstraite" tusschen Frerick Haicks achterhuis en Thomas Berners achterhuis achterstrekkende aan Griete Wissincks huis.            Dinsdag na Valentini 1536.
(Omtrent „die Kuyr" gaf eertijds wijlen de Heer Grimberg, archivaris van Zutphen, de volgende verklaring: „Cuer of ,,Kuyr" is ,,uitkijk".
Gerrit Mol was dus waarschijnlijk poortwachter met de opdracht, te letten op het vee, dat in de stadsweiden (de „waeren") graasde en toen ter tijd het eerst gevaar liep, buit gemaakt te worden.)
 
XLIII Protocol van Kentenissen der stad Zutphen. 1559 Donderdag na Francisci (5 Oct). „Wilhelm Moll bij hemselven unnd Jennicken, synn huessfr. met hem alss oiren echtenn man unnd momber ordenlick darthoe verkoeren, bekanden vor oen unnd oeren erven, dat sie in eynen vastenn stedenn erffkoep erfflick unnd ewelick verkocht unnd upgedragen hebben, droegen up und ver-tegenn van der handt alss erffkoepsrecht iss Henrick Starck, Gerhartgenn syner huessfr, und oeren erven oer andeell unnd gerechtigheit vann twee kuemen unnd eijn kalckfatt gelegen op ten Buevenberch mit der eyner sydt ann Lam-bert Pornaes kueme met der ander sydt ann der Termina-rius der Carmeliten, wer fry unnd qwijt, unnd gemelte Willem unnd Jenniken geloeven vor oen unnd oeren ervenn Henrick unnd Gerhartgen vorss. unnd oeren ervenn dieselve twee kuemenn unnd eijn kalckfatt tot oeren andeell thoe
thoestaen, thoe wachtenn unnd thoe waren, jair unnd dach alss erffkoeps recht iss, allen hinder unnd vorkommer affthoedoenn vor alle dieghoene, die diss then rechten koe-men willenn. Sonder arglist."          (Zij verkoopen dus twee kuemen en een kalkvat).
 
CURIOSA I
Vervolg p. 8 Nr. 8, betreffende het schip „Gelderland", schipper Jan Jansz. Mol.
Men leest dan verder in Valentijn, dat den „27en Nov 1607 de „Gelderland" weder te Bantam aankwam." Het schip wordt (omdat de zeevoogd Cornelis Matelief de Jonge last gekregen heeft uit het vaderland om den „oorlog" voort te zetten) „ten eersten naar Macasser om rijst (gezonden), om daarmede naar Amboina te loopen, een gedeelte daar te laten en ’t overige naar Ternate te brengen". De naam van den schipper staat bij deze passages niet vermeld.
Verderop vindt men hieromtrent een vervolg, wanneer namelijk de zeevoogd Van Caarden, die den 13en Jan 1908 van Bantam vertrokken, „ontmoette den 3en Maart ’t schip „Erasmus", ’tgeen de sloep van ’t schip „Gelderland" bij zich had en meende, dat dat schip genomen en nevens een kastiliaansch fregat met levensmiddelen naar Ternate gezonden was, aangezien...... enz." Den 18en Maart onder Ternate komende en daar ankerende voor de vesting Maleyo trof Van Caarden „tegen zijne gedachten ook het schip „Gelderland", ’tgeen in plaats van ’genomen te zijn, zelfs een kastiliaansch fregat, ’tgeen daar mede lag, op de kust van Celebes genomen en herwaarts gebracht had."
Den Hen Juni besloot de zeevoogd een aanslag op Tidore te wagen met 10 schepen en eenige coracora’s (d.z. gewapende Inlandsche prauwen). Daar de Tidoreezen zich versterkt hadden en deze forten blijkbaar zeer moeilijk te nemen zouden zijn, gaf men dit aanvalsplan op. Alstoen werd besloten „naar Makjan, 8 mijlen van Ternate, te zeilen, waar de Castilianen ook een vesting hadden." Deze vesting bleek zeer moeilijk te nemen, want zij „vonden die vesting (mede) op een klip liggen, tot welke men niet, dan door drie nauwe en steile toegangen, zeer wel met stukken en bassen (=scheepsgeschut van klein kaliber) voorzien, naderen kon. Ook hadden zij overal zooveel voetangels gelegd, dat het onmogelijk scheen bij hen te komen, in welk voordeel zij ons bleven afwachten. Men verdeelde het volk in drie troepen, met last, dat iedere hoop een dezer toegangen opklau-teren zou. De ...... enz. En den derden toegang besprong Jan Janszoon (hier zou moeten volgen Mol), schipper op ’t schip „Gelderland", die op een anderen hoek geland, daar met eenige blanke koppen en voorts met een deel inlanders, den vijand aantasten zou. De aanval geschiedde tegelijk."
Ditmaal kreeg Mol niet het zwaarste werk, daar de verovering van de vesting geschieden kon voornamelijk doordien Van Caarden in het voordeel kwam, toen één van de groepen teruggeslagen werd en de vijand daardoor beziggehouden, niet op voldoende tegenweer berekend was tegen de kracht van Van Caarden’s aanval op den tweeden toegangsweg, terwijl een stuk geschut op een zeer precair oogenblik geen vuur afgeven kon (weigerde). Deze overwinning kostte den Hollanders 2 dooden, 10 gekwetsten en eenigen die zich aan de voetangels bezeerd hadden. Makjan kwam weder onder Ternate.
Den 3en Augustus zeilde de vloot weg van Makjan; Van Caarden bleef achter en werd eenigen tijd later door de Spanjaarden weder overwonnen en gevangen genomen.
 
CURIOSA II
Vermeldenswaard zijn eenige van de ons bekende gevallen van huwelijken tusschen personen Mol(l) uit denzelfden stam of uit verschillende stammen:
1).
William Henry Moll x 1874 Emma Moll
John Martin Moll x 1887 Anna Moll
Gustav Moll x 1893 Katharine Moll
Frank William Moll x 1904 Mary Magdalene Moll
(behooren allen tot den stam Urloffen (Baden), waarvan Aegidius Moll met vrouw en kinderen in 1831 naar U.S.A. emigreert).
2).
Gijsbert Mol x 1927 Jacoba Pietertje Mol (stam ’s Gravendeel).
3).
Willem Mol x 1865 Cornelia Mol (stam Breda).
4).
Lammert Moll (stam Bolsward) x 1918 Anneke Mol (stam Amsterdam)*
5).
Martin Moll x 1688 Anna Moll
Johannes Moll x 1758 Elisabeth Moll
Hans Moll x 1722 Barbara Moll
Johann Georg Moll x 1739 Anna Moll
Georg Moll x 1760 Walpurga Moll
Bartholomaus Moll x 1748 Elisabeth Moll
Johannes Moll x 1748 Angelika Moll
Johannes Moll x 1758 Elisabeth Moll
Martin Moll x 1762 Anna Barbara Moll
Christof Moll x 1760 Anna Margaretha Moll
Johann Martin Moll x 1785 Anna Margaretha Moll
Hans Jerg Moll x 1766 Catharina Moll
Johann Lorenz Moll x 1788 Anna Maria Moll
Michael Moll x 1794 Anna Moll
Johannes Moll x 1758 Anna Maria Moll
Johannes Moll       x 1802 Catharina Moll
x 1803 Anna Maria Moll
Johann Michael Moll x 1851 Anna Magdalena Moll
Johannes Moll x 1858 Anna Maria Moll
Johann Georg Moll x 1861 Maria Catharina Moll
Jakob Wilhelm Moll x 1864 Maria Elisabeth Moll
Johann Jakob Moll x 1840 Anna Margaretha Moll
Thomas Moll x 1828 Anna Barbara Moll
Jakob Heinrich Moll x 1877 Christina Moll
Johann Georg Traugott Moll      1878 Elisabeth Moll
x 1896 Catharina Ursula Moll
Thomas Jacob Moll x 1867 Regina Moll
Gottlob Moll x 1868 Sofia Regina Moll
Jakob Philemon Moll x 1896 Elisabeth Margaretha Moll
Wilhelm Johannes Moll x 1877 Margarethe Moll
Paul Jakob Moll x 1874 Christina Wilhelmina Moll
Johann Georg Ludwig Moll x 1864 Margarethe Barbara Moll
Wilhelm Friedrich Moll x 1889 Sofia Regina Moll
Heinrich Moll x 1923 Christine Catharina Moll
Georg Christof Moll x 1919 Maria Elisabeth Moll
Wilhelm Andreas Moll x 1907 Friederike Sofia Moll
Christof Johannes Moll x 1921 Pauline Anna Moll
Friedrich Jakob Gotthilf Moll x 1903 Anna Moll
Wilhelm Jakob Moll x 1913 Rosine Moll
Christian Jakob Friedrich Moll x 1894 Christine Elisabeth Moll
Friedrich Johann Christoph Moll x 1793 Maria Charlotte Moll
Allen Stam Gruibingen (bij Stuttgart).
 
6).
Jan Maartens Mol x 1730 Eefje Louris Mol Stam Jisp.
7).
Franz Moll x ±1830 Anna Helena Paulina Moll Stam Keulen-Paramaribo.
8).
Johannes Jacobus Mol x 1913 Everdina Antonia Mol
Cornelis Mol x ± 1876 Willemyne Mol (Stam Rhenen).
9).
Pieter Gerritse Mol x 1804 Pietertje Dirks Mol
Jan Mol x 1912 Neeltje Krijntje Mol (Stam Spijkenisse).
10).
Willem Mol x 1890 Cornelia Mol (Stam Princenhage).
11).
Adrianus Mol x 1932 J. P. Mol (Stam Ginneken)»
12).
Petrus Godefridus Wilhelmus Mol x 1915 Anna Maria Cornelia Mol (Stam Zevenbergen-Hintham).
13).
Arie Mol x 1920 Tecla Mol (Stam Zwaag).
14).
Theodor Leopold Wilhelm Moll x 1854 Marie Moll (Stam Gruibingen-Brieg).
 
Werft leden en donateurs voor de Vereeniging „Families Mol(l)"!
 
LEZING,
gehouden op de 6e Algemeene Ledenvergadering van de vereeniging „Families Mol(l)" op Zaterdag, 14 April 1934, te Utrecht, door den Secretaris:
Dr. W. H. Moll, te Amersfoort.
Geachte Aanwezigen!
De taak, mij door het Bestuur voor heden opgedragen, is in zekeren zin onaangenaam. Te moeten spreken over doel en nut eener vereeniging, die ruim drie jaren bestaat, is niet verkwikkend. Hoeveel liever zou het me zijn, hadden we nu reeds handen te kort, om te kunnen werken aan den zoo ruim mogelij ken uitbouw van onze Vereeniging, als nl. doel en nut zóó duidelijk voor een ieder was, dat de Vereeniging een hooge vlucht genomen had!
Nochtans wil ik mijn best doen, voor de geregelde bezoekers der algemeene vergaderingen en dus ook voor onze bestuursleden, niet vervelend te worden en onze nieuwe gasten aangenaam te onderhouden.
Om te beginnen, zou ik U willen verwijzen naar art. 2 der Statuten, welk artikel voor mij een leiddraad is en waarin staat:
Art. 2. Het doel der Vereeniging is:
a) de bewerking van de genealogieën der verschillende takken van de geslachten Mol(l) en de publicatie van voor haar leden belangrijke gegevens omtrent die genealogieën;
b) het zooveel mogelijk tegemoet komen aan wenschen van leden, tot het instellen van genealogische onderzoekingen van specialen aard, mits vallende binnen het kader van den opzet der Vereeniging;
c) de bevordering der geestelijke en stoffelijke belangen van leden, van donateurs en/of van hun verwanten en voornamelijk het bevorderen van contact tusschen de leden of donateurs, ten einde er naar te streven, een familieband te vormen, ondanks verschil in geloof, stand en politieke richting.
De vereeniging beoogt geen geldelijk voordeel, onthoudt zich van alle politiek en maakt geenerlei onderscheid in godsdienstige richting.
 
I. Wat punt a betreft, is de eerste vraag, die zich voordoet: Wat is genealogie? en het antwoord luidt: Kennis van het geslacht.
Onmiddellijk volgt de tweede vraag: Hoe verkrijgt men die kennis? Twee wegen zijn er:
de kortere; onderzoek der archieven, daarna van den burg. stand, ten slotte bij de personen, die nog leven, of omgekeerd: opsporen en bezoeken van naamdragers, daarna de hulp inroepen van den burg. stand, daarna het archief onderzoek, n.l. van het Rijks- en het Kerkelijk Archief.
de langere weg: langdurige gesprekken en correspondentie voeren met de levenden, waardoor men tot een bestudeering van de familie komt, tevens eventueele familieboeken naslaan en werken van of over de ouders en voorouders bestudeeren, telkens met nauwkeurige aanteekening van levensomstandigheden, beroepen of ambten, van ziekte- en sterfgevallen, karaktertrekken, lichamelijke bijzonderheden, van kleur der oogen en van het haar, begaafdheden, liefhebberijen, enz. zoowel bij het kind, den adolescent als den volwassene, zooals de eugenetica, d.i. de beweging voor de verbetering van de erfelijke samenstelling der bevolking, leert, (zie: Kooiman en Frets „Persoonsboek").
Daarbij zullen echter de boeken van den burg. stand en van de archieven en gerechten materiaal moeten leveren.
Ik herinner me in dit verband, hoe door de vele schriftelijke mededeelingen van den onlangs overleden Adriaan Mol te Waarde, wijlen onzen geachten donateur, en die van zijn zoon en kleinzoons, veel waardevolle bronnen mij werden geopend, die mijn onderzoek naar den lijvigen stam „Scherpenisse" verdiepten.
Ik denk aan alle moeite, die de Archivaris der Vereeniging zich steeds gaf en geeft, om de beschrijving van de leden van zijn geslacht vollediger te maken. Ik releveer, hoe ik zelf niet alleen de Mollen van mijn geslacht napluisde en bestudeerde, maar ook omtrent de leden van het geslacht van mijn vrouw tallooze gegevens samenbracht, waardoor ik voor onze kinderen een Familieboek kon samenstellen vol aanteekeningen, biographieën, portretten en afbeeldingen van hun voorouders in de manlijke, maar ook in de vrouwelijke lijn tot in de 6e, vaak tot in de 10e generatie.
En nu kom ik tot de kernvraag:
Waartoe toch dient al dit werk?
Is dat niet een „hopelooze tijdverknoeiing?" En wat interesseeren ons nu al die doode voorouders?
Dames en Heeren! De kennis van ons geslacht is niet een dorre staat van geboortes, huwelijken en overlijdens. Levend wordt die akker door het materiaal over de personen, die tot het geslacht behooren. Bij de bestudeering dringen we tot de toestanden, waarin de personen leefden door, we beleven nog eens hun lief en leed, we slaan een blik in hun innerlijk leven door die tallooze kleinere en breedere notities, brieven en gedichtjes, we verheugen ons weer in hun successen, in den opbloei der generatie, we deelen weer in de slagen van het lot, die haar troffen.
Zoo’n Familieboek is geen kille grafzerk over een groot aantal gestorvenen, het is een bloeiende Levensgaarde, want al hanteeren we een doode materie, onze geest krijgt levenwekkend voedsel, onze gedachten keeren weer tot wat eens met leven bezield was, en het boek der dooden geeft ons een te eerbiedigende opdracht, een stimuleerende opwekking tot leven: een vingerwijzing hier, een voorbeeld daar, en de grondtoon is ons de eeuwig ruischende psalm:
,,Eer Uw Vader en Uwe Moeder."
Ik ben noch bioloog, noch psycholoog, al zijn door mij werken van Freud, Boeke, van Herwerden en anderen wel bestudeerd, maar ik ben overtuigd van de groote waarde van het Familieboek voor de nieuwere wetenschap der genealogie.
Het Ie lid van art. 2 der Statuten noemt die gegevens „belangrijk". Konden we al de naamdragers Mol(l), de Mol(l), van Mol(l), uit het, archief der vereeniging, zóó nader komen, wat een enorme waarde zou dit archief krijgen voor de wetenschap der familiebiologieën!
En aan den anderen kant wordt het „belangrijke" dier gegevens duidelijk, indien ze aanwijzing geven voor de saamgehoorigheid der Mol(l)-geslachten! Want de vraag wordt en is gesteld: En behooren al die tienduizenden Mollen van het archief tot één geslacht?
We releveeren, dat het onzen Archivaris en mij reeds vele malen gelukte, stamreeksen te vereenigen: we noemen IJzendijke - Scherpenisse; Maassluis - Velp; Zutphen en Achterhoek - de tallooze kleine stammen als Oostvoorne - Hekelingen - Rockanje - Geervliet en den oerstam Spijkenisse; - de even zoovele stamreeksen van West Friesland en Venhuizen en Zwaag.
We zijn thans in onderzoek naar de samenvoeging van de zeker 30 groote stamrijen Mol en Moll in Brabant en N. Holland.
Maar - om de vele, misschien nu een 50-tal bewerkte stammen, die tot in de 17e eeuw of vroeger terug reiken, tot een paar kernstammen samen te brengen, daartoe, geachte Aanwezigen! is tijd en geld in de eerste plaats dringend noodig. Te bereiken is echter veel, want waar doop- en trouwboeken mankeeren, leeren ons de rechtsprotocollen en notarisacten. Toch zal de wensch, tot oerstammen door te dringen, wel voorloopig een vrome wensch blijven!
 
II.
Punt b. spreekt van een speciaal onderzoek. Reeds hadden dergelijke onderzoeken plaats op verzoek van den Heer Marinus Moll (in Texas) in Zeeland, van den Voorzitter in Bodegraven en Zwammerdam, van Prof. Dr. W. J. H. Moll in Giethoorn en Blokzijl.
Waarom geven de statuten voor zulke speciale wenschen ruimte? Volgens mijn meening erkennen de Statuten hier duidelijkhet verlangen, onze voorouders te weten. Wat maakt den mensch nieuwsgierig naar de voorouders, zonder wier bestaan, het zijne onmogelijk was, naar de plaats, waar de bakermat van zijn geslacht was? Waarom toch willen we den sluier oplichten, die op vroegere generaties rust? Waarom willen we kennen de liefde en den dood, de levenstragedies, ook van de afgestorvenen?
Ik voor mij ben positief overtuigd, dat het wéten ons niet gelukkiger, maar beter maakt.
Hoe vaak toch wordt de mensch voor een vraagteeken geplaatst, hoe vaak stuit zijn religieus en philosofisch denken op een vaagheid! - Moet men, lamgeslagen door het ontbreken van een antwoord op de diepste zielsvragen, bevredigd worden door een Multatuli-uitroep: „Ik weet niet, of we slechts bij toeval daar zijn!"? Neen, voorwaar! -
Juist door het nagaan van het leven onzer voorouders, door het omslaan van de bladen uit het levensboek der generaties, worden we gesterkt door de grondgedachte: „Ook wij vormen ons geslacht. Ook wij maken, als heel klein schakeltje in de eindelooze keten der geslachten, deel uit van het geslacht." Dan zien we ons niet als eindstreep op een gesloten lijn -maar vragen ons af: hoe zal die lijn zich verder voortzetten? En, gehuwd of niet, in het bezit van kinderen of niet, ieder van ons is een deel van het geheel en teder leven heeft zijn meerdere of mindere belangrijkheid. We letten nu op de wegen, die onze voorvaderen bewandelden, en voelend de gemeenschap, beseffen we hun vreugde en hun smart, waardeeren we hun werk, doen van ons de minste verhoovaardiging en aanvaarden de plicht tot leven, die ook hun plicht was, beter...... en gorden ons aan tot den levensstrijd, kennende de groote verantwoordelijkheid, die op ons rust, maar ook wetend, hoe zij, die ons voorgingen, dien strijd hebben gestreden, dien plicht vervuld. - ’t Spreekt van zelf, dat onze voorouders niet enkel groote mannen en vrouwen waren van naam en maatschappelijke betee-kenis, van rang en stand,
 
c. En nu ben ik gekomen tot ’t derde lid van art. 2., waar staat: „ondanks verschil in stand’
Standspersonen, of liever adellijke personen, hadden steeds een stamboom, een wapen en kwartieren van af de vroegste tijden. Met de enorme toename der burgerklasse, de algeheele omwenteling in de verhoudingen der klassen, de nieuwe ideeën der 18e eeuw, eindelijk het afschaffen van de rangen door Napoleon, werd de genealogie gebonden aan bepaalde begrippen, en dwaze tegenspraak in woorden! kreeg ieder weer ruimte, zijn geslacht tot den adeldom terug te voeren. Een koorts beving velen en bevangt velen sinds een honderdtal jaren, om „zijn wapen uit te visschen." En bij alle respect voor de heraldische wetenschap!, bij velen is helaas de eenige drijfveer tot de genealogische studie: te weten te komen, welk wapen men meent te moeten voeren. En „reime dich, oder ich fresse dich", de fantasie levert een resultaat, het wapen wordt veroverd of geleverd. Gelukkig zijn er verblijdende symptomen, dat ook hier de leugen achterhaald wordt, maar te betreuren blijft het, dat aan den eenen kant op het gebied van heraldiek gebeunhaasd wordt, aan den anderen kant de ethisch opvoedende en biologisch wetenschappelijke waarde der genealogie niet doordringt tot alle menschen. Het feit van het bestaan der patriciaatsboeken is een kaakslag in het aangezicht der Genealogie, de kennis van het geslacht. Want de bestudeering van elk geslacht geeft een golflijn tot resultaat, met hoogten en diepten. En al bestonden naast den „Almanach de Gotha", naast het ..Nederlandsch Patriciaat", naast ,,de Nederlandsche Leeuw" -de boeken van het demos, dan nog was die scheiding van klassen, genealogisch bekeken, een onding. Maar ik wil niet in herhaling treden, van wat ik neerschreef als resultaat van mijn studie, in Nr. 11 van ons „Orgaan".
Waar de Middeleeuwen den ridder van den hoorige scheidden, vereenigt de ware genealogie den aristocraat-burgemeester met den burger-lakenkoopman en den arbeider-democraat. De Genealogie teekent onverbiddelijk naast den fabrikant den houder van een woonwagen op.
De ,,Mol(l)-genealogie" van onze Vereeniging van de families Mol(l) documenteert streng en verbant iedere zweem van fantasie, die zoekt naar verheffing, - een op bestelling geleverde zegelring is voor ons geen bewijs van een rechtmatig verkregen wapen.
Beteekent „ondanks verschil in stand" dan het huldigen van het de-mocratisch beginsel? en staat de vereeniging in politiek verband?
In geenen dele:De Oostenrijksche oud-adellijke „Von Moll"-gene-raties, wien de oudere adelbrieven 23 April 1555 door Karel V te Brussel bevestigd werden, en die nog heden in Mantua en elders hun vertegenwoordiging vinden in baronnen en marchesa’s, blijven in ons archief even gewaardeerd als de nijvere burgerlijke Mollen van Hoogeveen, Etten of
Buiksloot.
De innerlijke adel, die blijkt uit een welbesteed leven, uit de vlekkeloosheid van het levensblazoen, dien vindt men bij het bestudeeren van ieder adellijk of burgerlijk geslacht.
Maatschappelijke beteekenis veronderstelt echter geen reeks van voor-ouderen van gelijkebelangrijkheid.
Overtuigd door dit beginsel teekent ons archief met vreugde op, hoe de grootmoeder van Dr. Fritz Reuter, den gevierden Duitschen schrijver, de dochter van een eenvoudigen pachter Moll uit Golm (Mecklenburg) was, die van den beroemden generaal Victor von Moltke een notarisdochter: Friedrike Margarethe Moll, die van den eminenten geleerde Prof. Lorentz een dochter van den veerman van het Rhedensche veer, Gerrit Moll, hoe de dochter van den Landfahnrich Melchior Moll in Lennep (Deutschl.)
de voorouder van den genialen Prof. Rontgen was, de grootvader van den Utrechtschen wereldberoemden Prof. Gerrit Moll een eenvoudige banketbakker, hoe de rij van voorvaderen van Professor Gottfried Moll te Stuttgart, den leeraar in de Mathesis van den jeugdigen dichter Friedrich Schiller schaapherders en kleine boeren in Gruibingen (D.) waren - de grootvader van den bekenden overleden professor in de theologie te Amsterdam Willem Moll een Rotterdamsche kruidenier, die van Walther Moll, prof. aan de Universiteit te Washington, een hoedemaker in Windsbach (Beijeren). - enz. -
Wanneer we de straks genoemde stamtafel van de adellijke Von Moll’ familie eens bestudeerden in de boeken der archieven, dan, ik ben er van overuigd, zou blijken, dat die stamtafel, zooals ze nu voor ons ligt, in ’t geheel niet volledig is. Er zijn natuurlijk veel hiaten en vele loten werden afgeknipt van den stam, doordat de naamdragers een geheel ander leven leefden dan hun directe familieleden, ja - den overgang vormden naar de klasse van burgers en die misschien talrijke bewijzen zouden leveren, dat veel meer Duitsche, Oostenrijksche en Zuidnederlandschestamrijen tot den grooten stam, die heet de adellijke stam, behoorden.
Iets dergelijks doet zich voor met den stam Gruibingen, waarover meer te zeggen viel.
Vermenging, overgang der standen zien we dagelijks en dit is geen modern verschijnsel. L’histoire se répète.
De oorzaken van die vermenging en vervaging der standen bestudeere men in de kultuurgeschiedenis, waartoe de genealogie ons onweerstaanbaar trekt.
„Omnes aevum - ex aevo", zoo luidt de spreuk, die het Bestuur goedkeurde voor het vignet der Vereeniging. „Allen van de tijden - uit den tijd". Voorwaar, allen, die geleefd hebben, leven en leven zullen, dragen den stempel van hun tijd, zijn een product van den tijd. Wat wonder, dat in de geschiedenis van den tijdfactoren liggen voor het leven der menschen7
Al kunnen we de „histoire des batailles" niet verzaken, en al moeten we de geschiedenis van de expansiezucht der naties bestudeeren, om door te dringen tot de vreeselijke rampen en ellendes, waarvan we lezen in de oude protocollen en kerkboeken, welke onze voorvaderen troffen in branden en verwoestingen, in pest en cholera, - de cultuurgeschiedenis der staten en bedrijven, de zedegeschiedenis, zooals we lezen in de werken van Scherr, Busken Huet, Schotel, Hofdijk, de Jonge, te Lintum, W. Moll en ter Gouw, Wagenaar, om eenige te noemen, is allerbelangrijkst voor het verstaan van de oude documenten niet alleen, maar ze werpen tevens een helder licht op het leven van vroegere generaties.
Wat nu is het doel en het nut der genealogie? Uit het voorgaande zal reeds gebleken zijn, hoe doel en nut ook hier samengaan. Om nog een enkel punt duidelijk te doen uitkomen, wijs ik op de groote opvoedende waarde van de genealogie.
In een tijd van verwonding, van „Zerrissenheit", die in iedere eeuw optreedt, en waarin we ook nu leven, is noodig, dat een houvast gegeven worde aan ieder jong leven, is dringend noodig: de opbouw en bevestiging van de idee van gezin en familie.Waar zooveel banden losser werden en kerndeugden verdwenen, waar de jeugd zich onder het oog der ouders sterk emancipeert (en nu spreek ik krachtens mijn lange ervaring als leeraar), mag het „Eer Uw Vader en Uwe Moeder", niet langer zijn een losse, vluchtige gedachte, maar moet weer worden de grondtoon van de harmonie des levens van het jongere geslacht.
Verdraagzaamheid, piëteit, eerbied voor andersdenkenden, hoe bitter noodig zijn deze voortreffelijke deugden! Wat weten de kinderen van hun ouders, hun voorouders? en ik vraag me af, welke begrippen zullen de jongere generaties eens hun kinderen geven en wanneer zullen zij de verantwoording gevoelen? Het is niet juist, dat het jeugdideahsme, dat nu eenmaal den nieuwen tijd als den eenig waren aanvoelt, overheerschend egoïsme wordt. Er zijn nog plichten, die overoud steeds klemmende noodzakelijkheden gebleken zijn. Plicht der ouders is, de jongeren voor te lichten en hun voor te gaan in de waardeering hunner voorouders. Onze plicht is, te zaaien,steeds weer te zaaien, ons niet te laten neerbuigen door tallooze decepties! Al mogen de zwaarste buien het zaad op den akker vernietigen, er zullen beschuttende heggen of struiken altijd zijn, waar enkele aren rechtop blijven staan, het zaad weelderig zal opschieten en misschien de rijkste oogst zal opbrengen als eenige voorraad voor de toekomst!
Van verdraagzaamheid is de prettige band tusschen de bestuursleden een bewijs, die tot drie geheel verschillende hoofdgodsdiensten behooren.
Ik heb m mijn functie van Secretaris vele personen Mol(l), de Mol, van Moll persoonlijk leeren kennen, met talloozen heb ik aangenaam gecorrespondeerd. En ik durf te zeggen: met de meesten is een prettig contact verkregen. Kwamen er maar meer Mollen ter vergadering, konden we geregeld familiedagen houden! Maar de Hollander is teruggetrokken, heeft zijn stijfkoppige vooroordeelen, vooral, als hij een Mol(l) is en, zooals onze buren zeggen: een „Mollkopf" is.
Toch zou, wanneer de eerste brug gelegd was en het ijs ontdooid, de gehechtheid aan den naam, dien we dragen, blijken in een versterken van den band. Want de Archivaris en ik, die lijvige Mol(l)-boekdeelen bewerkten, wij genieten van zoo heel veel over al die naamdragers in de geheele wereld! Daarom wek ik U op, het archief der vereeniging te bezoeken!
En in dit verband wijs ik op drie instellingen van onze vereeniging: de bibliotheek, het orgaan en het archief.
De eerste beoogt het bijeenbrengen van de werken van de hand van of over naamdragers, waarvan de catalogus nu 98 nummers telt. Nog vele bekende belangrijke werken ontbreken, bij gebrek aan financiën, maar ook door gemis aan krachtige hulp van de leden en donateurs.
’t Zijn niet alle wetenschappelijke werken: ik noem o.a. een boek over den dominee-porseleinfabrikant J. de Mol, de essay’s, novellen en opstellen van den journalist H. Mol, het boek over den schilder Oskar Moll, over den kunstenaar Carl Moll, het populair geschreven werk over de vroegste zeetochten der Nederlanders van Prof. Gerrit Moll, het interessante en leerrijke boek over de lederfabrieken van de Briegsche Mollen.
Waarom bereiken den bibliothecaris nooit aanvragen, om uit de bibliotheek te lezen? Waarom zenden de leden en donateurs nog steeds niet dergelijke werken over of van hun familie, of eigen werk in?
Het orgaan stelt zich niet tevreden met een familiebabbeltje, maar tracht in zijn rubrieken: genealogie, memoranda en curiosa te geven: „voor elck wat wils", zoodat menig Rijks- en gemeentearchief op het ontvangen prijs stelt, maar ook vele particulieren me verzekerden, dat ze het orgaan waardeerden. Het doel van dit periodiek is: de vele geslachten Mol(l) te binden.
Ten derde: het Archief. Dit brengt alle voorwerpen, die van waarde zijn voor de Mol(l)-genealogie, bijeen, als portretten, kiekjes, schilderijen, kunstvoorwerpen, en alle genealogische aanteekeningen. Waarlijk, lang niet alle naamdragers zien de belangrijkheid van dit instituut, zoowel voor de personen, als voor de wetenschap der biologie, ten volle in. Moge eerlang een safe, beter nog een brandvrije kamer ons archief insluiten, dat voor het nageslacht de waardevolle, met datum en leeftijd gewaarmerkte (!) portretten en voorwerpen bewaart. Voor de Mollen is het een ding van groote waarde, wanneer zij voor een goede bewaarplaats ijveren, en, wil men bij zijn leven nog geen afstand doen, men zorge voor een gezegelde verklaring, met afschrift bij het Bestuur!
Recapituleerend zou ik in de volgende stellingen willen neerleggen den inhoud van dit epistel over het doel en nut van de Vereeniging:
Kennis van het geslacht:
a) verruimt ons inzicht van het leven en versterkt de belangstelling voor onze medenaamdragers.
b) heeft sterke opvoedende waarde, in zooverre ze ons stemt tot nederigheid, verdraagzaamheid en piëteit.
c) maakt ons ontvankelijk voor de bestudeering van het vraagstuk der vererving.
Ten slotte wek ik U op, U beschikbaar te stellen voor steun aan de Vereeniging, door
a) door den archivaris op te geven naamdragers, niet-leden, te bezoeken,
b) mee te werken aan het afschrijven van het enorme materiaal, of aan het vervaardigen van statistische overzichten ervan,
c) U beschikbaar te stellen voor 2e Secretaris of 2e Archivaris en U in den arbeid dier functies in te werken, opdat het voortbestaan der Vereeniging geen gevaar loope!
Ik heb gezegd.
 
 
 
4e Jaargang No. 14                        1 Oct 1934
MEDEDEELINGEN VAN HET BESTUUR.
Hartelijken dank brengt het Bestuur aan de Heeren Fr. Oudschans Dentz en J. van Toll te Den Haag en aan den Heer M. J. M. Mol, med. cand, te Breda, voor de voortdurende steun, die de Vereeniging mag ondervinden. Bijzonderen dank is het Bestuur verschuldigd aan den Zeergestr. Heer Roels, Gem. Ontvanger te Rucphen, door wiens krachtige medewerking de omvangrijke, biologisch eigenaardige Mollenstam uit Rucphen, reeds bewerkt van af 1690, thans tot heden kan worden bijgewerkt. Eveneens wordt de Heer H. Mol te Berkhout voor inlichtingen omtrent stam „Venhuizen" hartelijk bedankt.
 
Tot de Vereeniging traden toe als donateur:
de Heer M. C. Mol, N. Vlissingscheweg 351, O. en W. Souburg. (Z.)
de Heer J. A. A. Mol, Zuidstr 201, Westkapelle
(beiden stam Scherpenisse).
De Secretaris,
 
Nieuwe aanwinsten der Bibliotheek zijn:
Nr. 101 „Persoonsboek" van Dr. Kooiman en Dr. Fretz (schenking van Dr. W. E. de Mol, A’dam)
Nr. 102 „Geneal. en Herald. merkwaardigheden betreffende Europeanen op Java" Dl I van Mr. P. C. Bloys v. Treslong (schenking van Dn W. H. Moll, A’foort)
Nr. 103 „Pennevruchten" van H. Mol, Rotterdam (van den schrijver).
(Onder dezen titel worden de talrijke, tot dusver in hartelijken dank ontvangen en de verder te ontvangen artikelen en opstellen van den Heer H. Mol verzameld,)
 
BURGERLIJKE STAND.
Geboren:
Huizen, 4/2 1934. Christina Moll dochter van Jan Moll en Christina van Jongerden (Stam Huizen).
Neede, 10/7 1934. Gerrit Hendrik Arend Mol zoon van Arend Jan Mol en Gerritdina Geerdink (Stam Neede).
Papendrecht, 30/7 1934. Teunis Abraham Mol zoon van Arie Cornelis Mol en Anna Plukhooy (Stam ’s Gravendeel).
Overleden:
22/7 1934 Utrecht. Jarig Moll, zadelmaker zoon van Lammert Moll en Gerritje Folkerts van der Weide in den leeftijd van bijna 76 jaar. (Stam Bolsward).
Overl. 16/7 1934 Winschoten. Anna Johanna Mol echtgen. van D. Brouwer, te Boertange in den leeftijd van 31 jaar. (Stam Bolsward).
Overl. 17/7 1934 bij Pretoria (Z. Afrika). Dr. Pieter de Villiers Moll, chirurg echtgen. van Ella Irslinger in den leeftijd van 45 jaar. (Stam Gouda-Nieuwendam-Kaapstad)
Verloofd:
Juli 1934. Bep Moll dochter van Cornelis Moll en Bartje Roelofsen (Stam Velp) en Eduard Otto Weytingh, chirurg te Delft zoon van Herman Willem Weytingh en Flora Marianne Arrias.
Gehuwd:
15 Sept 1934 te Epe Jan Johannes Moll, piloot K.L.M. zoon van Warnar Moll en Jacoba Petronella Schagen van Soelen (Stam Achterhoek) en Anna Marie Zijlstra dochter van Jan Zijlstra en Aaf Beredina Heetjans.
Gehuwd: 12 Juli 1934 bemarang Andries Mol zoon van Adrianus Mol en Leentje Bakker (Stam ’s Gravendeel) en Joh. M. Reints.
 
GENEALOGIE,
Oud-Lochem.
Onder verwijzing naar Nr. XXV (Nr. 9), waar gesproken wordt van de vier kinderen van Johann Moll: Berent - Gerrit - Claes en Styne, meenen we hier een overgang te kunnen maken naar de protocollen van Lochem, die immers, zooals reeds vroeger gezegd is en op enkele plaatsen duidelijk blijkt, op enge verwantschap met Zutphen wijzen, wat het geslacht Moll betreft.
I. Archief Rekenkamer (Rijks Archief, Arnhem). 29 Nov. 1512. Berend Moll, stadhouder-scoltis van Lochem. 8 Nov. 1519. Burgemeesteren en Raad der stad Lochem verklaren, dat hun mederaadsvriend Berndt Moll ten verzoeke van Johan die Rode in het gericht getuigenis heeft afgelegd omtrent het goed Wernsinck.
4 Juli 1503. Meester Ludolph van Haeren kanunnik, en Meester Derick van Styenre, secretaris van Zutfen, wegens de kinderen van wijlen Marten en Gebbe Aker Foerme eener-zijds en Berndt Moll burgemeester te Lochem, enz.
In dit stuk noemt Berndt zich: ,,ik, Berndt Moll, gesworene stadtholder des Gerichtampt van Lochem".
(Wordt vervolgd.)
 
MEMORANDUM.
Dr. Jacob Anthonie Moll.
(Stam Giethoorn-Blokzijl).
Gaarne zag ik een plaatsje ingeruimd voor de nagedachtenis van mijn vader, den bekenden Haagschen geneesheer.
Dr. Jacob Anthonie Moll werd te den Haag geboren 4 Mei 1832, als oudste van de acht kinderen van Ds. Jan Moll Jbzn, (zie orgaan 4 en 5) en Maria Cornelia Catharina Bonebakker. Genoemd werd hij naar zijn grootvader van vaders zijde, Jacob Moll, en naar dien van moeders zijde, Ds. Antonie Bonebakker.
Na de Lagere school doorloopen te hebben, deed hij in 1844 toel. examen voor het Stedelijk Gymnasium te Den Haag en slaagde 1850 voor het eindexamen; na afgelegd staatsexamen op 7 Aug. 1850 werd hij 25 Aug. 1850 ingeschreven als student in de medicijnen aan de Universiteit te Utrecht, waar hij 11 Oct als zoodanig ontgroend werd.
Het ,,Groenen-album" bevatte van zijn hand bijgaand versje:
„Niet vroolijk is het groene-leven!
Wat groen toch zou er niet voor beven?
Gelukkig echter de student,
Die het groen-zijn heeft gekend!"
19 Juni 1852 legde hij het propaedeutisch examen af en op 20 Juni 1853 het candidaatsexamen in de philosofie.
l Juni 1854 werd Moll assistent bij Professor F. C. Donders, 13 Maart 1855 slaagde hij voor het candidaatsex. geneeskunde, werd in het studiejaar 1855 in het Rectoraat Sen. Veter, gekozen, slaagde 5 Juni 1856 voor het doctoraal examen en promoveerde 18 Maart 1857 te Utrecht tot Doctor in de medicijnen, na verdediging van een dissertatie: „Bijdragen tot de Anatomie en Physiologie der Oogleden." (Zie laatste alinea).
l Augustus 1857 werd Moll verbonden aan het Buitengast-huis te Amsterdam, waar hij 17 April 1858 promoveerde tot Doctor in de chirurgie bij Professor van Ittersum; 2 Juli d.a.v. vestigde hij zich op 26 jarigen leeftijd als geneesheer in Den Haag in een practijk, die hij 31 Dec. 1901 neerlegde, na ruim 42 jaren werkzaam geweest te zijn.
Alvorens zich te vestigen, maakte hij nog een studiereis naar Berlijn en Dresden.
Den 31 Mei 1860 huwde hij te Amsterdam met Wendelina Elisabeth Bonebakker, dochter van Jaques Antoine Bonebakker en Wendeline Elisabeth van Manen.
Bijna drie en vijftig jaren stond zij naast haar man en was de zorgzame, liefhebbende echtgenoote en moeder van drie kinderen: Mr, Jan Jacob Moll, laatstelijk Griffier bij de Arr. Rechtbank te Dordrecht, Wendelina Elisabeth Moll, thans Mevrouw Gritters-Doublet, in Duitschland wonend, en onderget. Jacob Anthonie Moll.
Dat Dr. Jacob Anthonie Moll een geleerde was, bewijst de Ooganatomie, die de kleine kliertjes bij de oogharen, op het voorbeeld van Engelsche en Duitsche vaktijdschriften, naar den ontdekker de „Moll’s Glands", „Mollsche Drüsen" benoemde.
Als Geneesheer stond Moll hoog aangeschreven; dat bewees de enorme belangstelling bij zijn veertigjarig jubileum, 18 Maart 1897. Van de zijde zijner ambtgenooten deed Dr. Blom Coster een woord van innige waardeering hooren over het leven en werken van den begaafden arts. Dr. Blom Cos-ter liet vooral uitkomen, dat zijn geachte collega, roem en winstbejag versmadende, steeds getoond had, van de overtuiging doordrongen te zijn, dat de waarde van kennis zeer hoog rijst door de gehoorzaamheid aan de eischen van de zedeleer, die de moeder is van ’s menschen zielevrede. Namens ongeveer 80 Haagsche geneeskundigen werd den doctor Moll een ets aangeboden van Maris, benevens de beide werken van Dr. Bredius over het Rijks-museum en het Mau-ritshuis; de namen der schenkers waren in een album ver-eenigd, waarin een Hygieia-beeld, met het woord Sanitas op een banderol en de volgende opdracht: „Viro doctissimo Jacob Anthonie Moll, die XVIII, mensis Martii, anni MDCCCLVII Medicinae Doctori Creato, octavum lustrum peractum gratulantur collegae amici."
Alle bladen van het album zijn omlijst met banderollen, waarop voorkomen de namen van beroemde medici uit de oudheid en van den tegenwoordigen tijd. Dit kunstalbum is ontworpen en vervaardigd door den wapenschilder J. M. Lion.
Ook de ondervoorzitter der Haagsche afdeeling van de Ned. Maatschappij tot bevordering der geneeskunde, Dr. Wol-terbeek Muller, dankte den jubilaris voor wat hij voor de afdeeling deed. In Moll’s dankwoord legde hij vooral nadruk
op het woord Collega en toonde zich uiterst gevoelig voor de ondervonden collegiale vriendschap.
Bij Kon. Besluit van 28 Dec. 1901 erkende de Regeering zijn verdiensten door Dr. Jacob Anthonie Moll te benoemen tot Ridder in de Orde van den Nederlandschen Leeuw.
Jan 1902 vereenigden zich eenige patiënten, boden den scheidenden geneesheer, uit naam van vele patiënten, een geschenk aan als bewijs, hoe ze hem als geneesheer en als mensch hoog waardeerden. Reeds in 1874 was hem eens door een dankbaren patiënt een volledige Shakespeare-uitgave aangeboden.
Het feit van zijn 50 jarige herdenking van zijn promotie werd op verlangen van den jubilaris, 18 Maart 1907 slechts in zeer intiemen kring herdacht, doch de Haagsche afdeeling van de Maatschappij tot bevordering der geneeskunst complimenteerde Dr. Moll, terwijl hij van den Senaat der Utrecht-sche Hoogeschool een zeer vleiend schrijven ontving.
31 Mei 1910 vierden Jacob Anthonie Moll en Wendelina Elisabeth Bonebakker hun gouden bruiloft, nog in het bezit van hun 3 kinderen, verder 2 aanbehuwd kinderen en 3 kleinkinderen, te hunnen huize, 1e Sweelinckstraat 42. Een druk bezochte receptie en zeer vele stoffelijke blijken van belangstelling op dien datum verhoogde voor ons - hun kinderen -de feestvreugde en dankbaarheid voor zulk een ouderenpaar. Twee en een half jaar later, in Jan 1913, overleed zeer onverwacht, onze lieve moeder en na een zeer moeilijk jaar, ten gevolge van dit pijnlijke verlies, ontviel ook hij ons op 27 Jan 1914.
Bij zijn teraardebestelling op Oud Eik en Duinen, den 30 Jan 1914, werd ter eerbiediging van den wensch des ontslapenen niet gesproken, echter velen bewezen door hun tegenwoordigheid den kundigen, algemeen bekenden en beroemden geneesheer de laatste eer, waaronder vele genees-heeren, een deputatie van de Mij. voor Geneeskunde, de vertegenwoordiger van de Haagsche Zwem- en Badinrichting en van de Haagsche Mij. van Kosthuizen, waarvan Dr Moll resp. Commissaris was, sedert de oprichting en Lid der Finantieële Commissie.
In het Gedenkschrift, aangeboden door het College van Regenten en den Hoogleeraar-Directeur van het Nederlandsen Gasthuis voor behoeftige en minvermogende ooglijders te Utrecht op 6 Nov. 1933 ter gelegenheid van het 75 jarig bestaan, wordt Moll genoemd als Regent van 1897-1914. Verder memoreert Prof, Dr. J. van der Hoeve hierin, dat in de eerste 10 jaar van het bestaan van het Gasthuis niet minder dan 24 Dissertaties op oogheelkundig gebied te Utrecht werden verdedigd en merkt daarbij op: „Onder deze dissertaties vinden wij het uitnemende werk van J. A. Moll over de anatomie en physiologie der oogleden, de naam „Moll’sche klieren" wordt nog steeds gebruikt, terwijl zijn afbeelding van de doorsnede van het ooglid uitstekend is."
In eerbiedige nagedachtenis
J. A. Moll
Archivaris,,,de Molshoop"
Soestd.weg 91 N.
Bilthoven.
 
RECTIFICATIE.
1. In Orgaan No, 3 p. 8 werd door Mevrouw Prof. Nijland-Moll meegedeeld, dat de beroemde aardrijkskundige Herman Moll een Hollander was. Deze mededeeling berustte op een artikel in ,,the Observatory" van Sept. 1931 p. 235, waarin het volgende: „Herman Moll was a dutch geographer, who settled in London 1698...", Ook de Dictionary of national Biography, page 2091/38 zegt: ,,Herman Moll (died 1732) geographer, a Dutchmann,...").
Het persoonlijk onderzoek van onzen archivaris, den Heer J. A. Moll te Bilthoven, in het British Museum en aan de kerkarchiven te London in 1933 (Aug.) heeft echter duidelijk bewezen, dat in zijn testament Herman Moll zijn bezittingen in Engeland en Duitschland nalaat aan zijn eenige dochter, en dat hij over Holland niets schrijft, dat zijn vriend The Rev. William Stukeley, M.D. in zijn dagboek en verdere brieven in Sept. 1732 op blz. 134 schrijft: ,,My old acquaintance, Mr. Moll (Herman Moll was a German engraver on copper) the geographer, dy’d (=died)", zoodat door hem als vaststaand wordt aangenomen, dat Herman(n) Moll van Duitsche nationaliteit was.
In 1695 zijn uit Solingen handwerkers naar Shortley Bridge bij New Castle upon Tyne getrokken, om aldaar het beroep van messenslijpers te gaan uitoefenen. Hun leider was Hermann Moll. Deze overleed in Ebchester en werd daar 6 Dec 1716 begraven en is vermoedelijk de Vader van bovengenoemden Herman(n) Moll
 
2. In Orgaan No. 6, p. 6 wordt de schoonvader van Hendrik Moll: Harmen Roessou genoemd als stammende uit het Fransche geslacht Rousseau. Dit berust op een dwaling. De Amsterdamsche ondertrouwregisters van het Archief geven op „Harmen Roessou van Rissel". Na van Rijssen in Overijsel de archieven te vergeefs onderzocht te hebben, werd door mij gedacht aan Rijssel in N. Frankrijk. De informatie aldaar leverde geen resultaat, maar daar te zelfder tijd door mij bestudeerd werd het ,,Geslachtsregister der oude Kaapsche familieën" van Chrt Coetzee de Villiers van 1893 en daarin herhaaldelijk de familie Roessou of Rousseau voorkwam als afstammelingen van het geslacht Rousseau, werd, hoewel foutief, het verband gezocht tusschen dit geslacht en dat van Harmen Roessou. Met absolute zekerheid is nu echter geconstateerd, dat „Rissel" is het plaatsje Ueffeln Westfalen bij Bramsche (bij Osnabrück) en na gehouden correspondentie met den Pastor Matthey, aldaar, is de sluier van het geslacht, waartoe Harmen behoort, gelicht. Harmen is er als Hermann Engbert Roessou den l Mei 1727 gedoopt als zoon van Daniel Rosou (of Risow) en Anna Margaretha Feitman.
Het geslacht Rosow is tot 1650 in Ueffeln te vervolgen en stamt niet van Germanen, maar van Slaven, nl van de Wenden, die westelijk van de Elbe woonden, omgeven van Germanen. In Rusland komt de naam „Pozobr"(uitgesproken „Rosow") zeer veel voor.
Russisch bloed met zijn bekend opbruischend temperament kwam dus door het huwelijk van Jannetje Roessou met Hendrik Moll in de kinderen van hen en de afstammelingen en het verband met Rousseau is niet te verdedigen.
Herman Engbert Rosow huwde 21/9 1750 met Anna Margretha Morïtz uit Dissen en verliet na den dood van zijn echtgen. Westfalen, om zich in Nederhorst den Berg te vestigen en 1764 te huwen met Waanderina Stroekmans.
Dr. W. H. Moll.
 
Werft leden en donateurs voor de Vereeniging „Families Mol(l)"!
© Jan Wies 2017 | j.wies@planet.nl | Kruislaan 28, 2131WD Hoofddorp | telefoon: 023 5636680 Sponsored by Clic2connect