Tekst   Foto's
HOME    
uVhH 1931-32 Deel 1
uVhH 1931-32 Deel 2
uVhH 1932-33 Deel 1
uVhH 1932-33 Deel 2
uVhH 1933-34 Deel 1
uVhH 1933-34 Deel 2
uVhH 1934-35 Deel 1
uVhH 1934-35 Deel 2
uVhH 1934 Verslag
uVhH 1935-36 Deel 1
uVhH 1935-36 Deel 2
uVhH 1936-37 Deel 1
uVhH 1936-37 Deel 2
Talpa 1936-37 Deel 1
Talpa 1936-37 Deel 2
Talpa 1937-38 Deel 1
Talpa 1937-38 Deel 2
Talpa 1937-38 Deel 3
Talpa 1938-39 Deel 1
Talpa 1938-39 Deel 2
Talpa 1939-40 Deel 1
Talpa 1939-40 Deel 2
Talpa 1940-41 Deel 1
Talpa 1940-41 Deel 2
Talpa 1941-42 Deel 1
Talpa 1941-42 Deel 2
Talpa 1942-43 Deel 1
Talpa 1942-43 Deel 2
Talpa 1943-
Talpa 1946-
Talpa 1948-
Talpa 1949-
Catalogus Archief Deel 1
Catalogus Archief Deel 2
Catalogus Archief Deel 3
Fam Mol Stam Hekelingen 1
Fam Mol Stam Hekelingen 2
Fam Moll Stam Velp Deel 1
Fam Moll Stam Velp Deel 2
Fam Moll Stam Velp Deel 3
Fam Mol Zeeland Deel 1
Fam Mol Zeeland Deel 2
Fam Mol Zeeland Deel 3
Fam Mol Zeeland Deel 4

 3e Jaargang No. 9                          1Juli 1933

Uit Verleden, het Heden
REDACTEUR: Dr W. H. Moll, J. v Oldenbarneveltlaan 21, Amersfoort
 
MEDEDEELINGEN VAN HET BESTUUR.
Kort verslag van de 5e Alg. Leden verg, 22 April 1933:
Op de vergadering, die te Rotterdam werd gehouden, waren aanwezig behalve het Bestuur, de Dames W. M. van der Zanden-Moll, Mevr. A. I, Moll-Bakhuizen te IJsselmonde, Mej. H, H. Moll te Amsterdam, en de Heeren L. Moll te IJsselmonde, G. van der Zanden te Apeldoorn, M. Mol te Vier-polders. Als belangstellenden waren verschenen Mevr. C. M. Ribbink-Moll en Mevr, H. Moll-Romijn. Afwezig wegens verhindering was de Heer W. W, M. Moll te Breedevoort en wegens ziekte de Secretaris. Na goedkeuring der notulen werd met algemeene instemming besloten de Heer J. H. M. Mol te Nijmegen tot Voorzitter te benoemen. De Secretaris werd herbenoemd. De donateurs J. L. Mol te Sint Maartensdijk en J. de Mol te Heusden werden wegens niet betalen der contributie als zoodanig vervallen verklaard. De diverse jaarverslagen werden onder dank goedgekeurd en besloten werd, die in druk te doen uitgeven, wat inmiddels is geschied.
De kas van den Penningmeester was vóór de samenkomst gerevideerd en goed bevonden door de kascommissie, die was samengesteld uit de Dames Mevr. S. van der Wal-Moll te Hilversum en Mej. J. Moll te Amsterdam. Den Penningmeester is dus decharge verleend en aan de genoemde dames wordt op deze plaats hartelijk dank gezegd voor hare moeite en bereidwilligheid. Tot leden der kascommissie voor 1934 werden aangewezen de Heeren G. van der Zanden te Apeldoorn en M. Mol te Vierpolders en als plaatsvervangsters de dames Mevr. A. I. Moll-Bakhuizen te IJsselmonde en Mej. H. H. Moll te Amsterdam, welke allen de benoeming aanvaardden.
De Archivaris gaf daarna in een boeiende voordracht een overzicht van den inhoud van het Archief der Vereeniging, wat het Buitenland betreft. In den breede werden de res-teerende punten: uitgave stamreeksen, familiedag, besproken, na toelichting door den Archivaris. Het aanbod van Mevr. A. H. Moll in den Haag, een event. familiedag met een symbolisch tableau of declamatie op te luisteren, werd met instemming en dank begroet.
Nadat de Archivaris de noodzakelijkheid van het bijeenbrengen van een flinke garantie-som had betoogd, tot uitvoering der voorbereidingen voor de realisatie van punt l van art. 2 der Statuten en er op gewezen had, hoe noodig het is, dat de leden hun familie en kennissen opwekken, zich bij de Vereeniging aan te sluiten, werd de Vergadering onder dank gesloten.
Het Bestuur brengt aan Mevr. J. G. Stort-Moll te Oosterbeek zijn hartelijke dank uit voor de schenking aan het Archief van den doctorsbul van haar overgrootvader Dr. A. Moll te Arnhem en aan den Heer F. G. Mol te Kollum voor de inzending van enkele publicaties van het huwelijk van een Mej. van Mol in België.
 
Toegetreden als lid:
Mevr. C. M. Ribbink-Moll, Avenue Concordia, Rotterdam,
als donatrices:
Mevr. H. Moll-Roelofsen, Stationsweg 63, Ede.
Mevr. H. v. Setten-Moll, Dorpsplein 21, Doorn.
Mej. B. Moll, Coolsingel 117, Rotterdam.
 
FAMILIEDAG.
Het Bestuur noodigt Leden en Donateurs en Aspirant-Toetredenden uit, samen te komen tot het houden van een Familiedag op Zondag, 27 Augustus, te Zeist.
Samenkomst circa 10½ uur aan het station. Gezamenlijke lunch a ƒ 2.- (door ieder deelnemer voor zich te betalen).
Gezellig samenzijn (met waarschijnlijke medewerking van Mevr. A. H. Moll te den Haag) gedurende den namiddag.
Aameldingen met opgave van aantal en van de namen der geintroduceerden aan het Secretariaat te Amersfoort, uiterlijk vóór 10 Juli.
Vóór l Augustus ontvangen de deelnemers nader bericht omtrent doorgaan of niet, hetwelk door het Bestuur afhankelijk gesteld wordt van het aantal deelnemers.
DE SECRETARIS.
 
BURGERLIJKE STAND.
Geboren: 15 Maart, 1933, St. Philipsland, Sara Elisabeth Kempeneers, dr. v. Johannes Kempeneers en Janna Moll.
Geboren: 21 Maart, 1933, St. Philipsland, Adriana Maria den Braber, dr. v. Pieter den Braber en Neeltje Mol.
Overleden: Pieter Hendrik Mol, 59 jaar, te Williamson (N.A.) 2 April 1933. zoon van Pieter Hendrik Mol en Cornelia Dina van Oeveren.(Allen Stam Scherpenisse.)
Geboren: 4 Febr 1933, Rotterdam, Jan Mol, zoon van Jan Pieter Mol en Geertruida van Barneveld. (Stam Oudelande-Baarland.)
 
DE ARCHIVARIS.
Vervolg van den catalogus der werken van de Bibliotheek der Vereeniging. (Zie verslag 1932, p. 10-12).
52 A. Hollestelle, „Iets over het bepalen van Ponden en Munten", 1900.
53 A. Hollestelle, „Iets over het bepalen van Ponden en Munten", 1900. vervolg.
54 A. Hollestelle, „De Blank", 1909.
(52, 53, 54 schenkingen van den Heer C. Hollestelle, te Tholen.)
55 Ds. J. Moll Jzn., „De Getuigenis van Christus." (sch. van den Heer J. A. Moll, Bilthoven.)
56 Dr. A. M. Moll, „Die onafhankelijkheid van Suidafrika." (sch. van den Heer F. Oudschans Dentz, den Haag.)
57 Dr. W, E, de Mol, „Vleeschetende planten." (sch. van Dr. W. H. Moll, A’foort.)
58 Dr. E. Moll, „Afscheidsrede te Goes", 1877. (sch. van Mevr. J. G. Stort-Moll.)
59 Dr. E. Moll, „Lof der Liefde", 1884. (id.)
60 Jaarboekje van het Notarisambt 1872-1873. (id.)
61 H. W. J. Sannes, „In memoriam A. Moll", 1916. (id.)
62 Dr. Fr, O. Moll, „de Typho exanthematico vel conta gioso" - diss. 1857. (sch. van Dr. Fr. Moll, te Berlijn.)
63-67 Prof. Dr. J. F. van Bemmelen, „Familieonderzoek en Erfelijkheidsleer", 1930. (in 4 ex.) (eigen aanschaf.)
68 J. C. Mol, „De operateur en de cultureele films", 1932. (sch. van Dr. W. H. Moll.)
69 „Familiengeschichtl. Blatter." Jhrg. 1931 Heft 7-12 Jhrg. 1932 Heft 1-12. (eigen aanschaf.)
70 „Archiv für Sippenforschung." Jhrg. 1931 Heft 1-12 Jhrg. 1932 Heft 1-12. (eigen aanschaf.)
71 „De Nederlandsche Leeuw." Jhrg. 1931 Juli-Dec. Jhrg. 1932 Jan.-Dec. (eigen aanschaf.)
72 „De Navorscher." Jhrg. 1931 No. 1-12 Jhrg. 1932 No. 1-12. (eigen aanschaf.)
73 H. Mol, „Memoires van een havenarbeider", 1932. (sch, van Dr. W. H. Moll.)
74 Jhr. C. H. C. A. van Sypestein, „Het Oud Holl. Porselein", 1933. (sch. id.)
75 „Taxandra", Tijdschr. voor Noordbrab. Gesch. en Volkskunde."
1931 - afl. 10
1932 - afl. 6. (sch. van Ir. A. J. L. Juten, te Bergen o. Zoom.)
76 „Familiengeschichtl. Bibliografie", 1931-32. (Lief. I.) (eigen aanschaf.)
77 Dr. Baur, ..Beschreibung der Kur- und Badeanstalt Dizenbach." (sch. van Dr. Fr. Moll, Berlijn.)
DE BIBLIOTHECARIS.
 
GENEALOGIE.
„Van Oud-Zutfen tot heden’)
(Vervolg.)
XVI. (id.) Johan (Jan) Moll zit als gerichtsman in het gericht van het schoutambt Zutfen.          Donderdag post Appolonie (13 Febr.) 1539.
XVII. (Kentenissen der Stad Zutfen). „Sinnen gekomen Thomas van Burlloe ind Gerit Aitsack alz oelderluede van S. Anthonius groite gijlde ind hebben be liefft, dat Johan Moll ind Yda sin huesfr. ind oere erven S. Anthonius alle jair vur diese seesz golden Rinsche gulden ind eyn ort goltz jairlix up terminen in diesen brieve begrepen, gieven sullen alle jair vijff golden g. van gewijchte off die rechte werde dair vur, ind die to loesen mit hondert anc-kell golden gulden van gewijchte off die rechte werde dair vur, ind ditselve heft Johan bij hem selven ind Yda sin echte huesfr. mit hem alz mit oeren man ind momber alsoe woe vursz. vur hom ind oeren erven bekant ind ingegain. Sonder argelist, die datum ’s brijffs was ImIIIIcIIIII (1454) op Dominica (20 April) quasi modo geniti. Und dit is achter op ten br. gesz.n." 
Woensdag post Agnetis virginis (23 Jan.) 1544.
 
XVIII. (Protocol van Kentenissen). Maandag na Decollationis Joannis (l Sept.) 1513. „Johan Moll bij hem selven, Ida syn huesfr. myt hem als oeren echten man und momber ordentlichen daer tho verkoeren, bekennen voer oen und oeren erven, also sy hier befoeren Henrick Busshof und synen erven stedes erfkoeps verkocht und upgedraegen hebben hoer huesz gelegen aen der Steenbruggen mitter einer ziedt up ter beken, myt ander ziet aen Wijnolt Houtvus huesz achter streckende aen unser statmoelen haefken, datt gedachter Henrick Bushof dat vurss, huesz bij der kertzen gerichtlicken of sunst anders sunder die kertzen und mit gerichtslicken stetz und wertz sall muegen tot synen gelieven verkhoepen, sunder dat Johan, Ida syn huesfr. of oerer beider erven in eniger tijt daer iet wes zullen moegen tegensprecken of daer gegens doin in eni gerley manieren, sunder arglist."
 
XIX. Johan Moll en Yde zijn vrouw koopen een huis en weer, gelegen voor de Stienbrugge, met de eene zijde langs de beek...... enz."
Zaterdag na Cantate (13 Mei) 1542. Zij vestigen een jaarrente uit dit huis.
Zaterdag post voce Jocunditate (20 Mei) 1542. De vrouw van den verkooper behoudt een kamer in dit huis. Zaterdag na Odulphi (17 Juni) 1542.
 
XX. Johan Moll en Ida transporteeren hun huis aan de „Steenbruggen."
Donderdag post Francisci (5 Oct.) 1552.
Dezelfden transporteeren hun huis van twee woningen te Zutfen in de „Boickerstraite." Woensdag na Reminiscere (l Maart) 1553.
 
XXI. Kentenissen der stad Zutfen.
Johan Moll, Yda zijn vrouw, Christoffel Verwer, Elsa zijn vrouw, Thonis Verwer, Jutte zijn vrouw, Gertken, wed. Bertolt Verwers, Henrick Verwer, Elsken zijn vrouw en Aleff Verwer dragen ,,in erffgescheide" op aan Arndt Enze-rinck, Henrica zijn vrouw, Petra en Anna Verwers, hun aandeel in een halve erve, geheeten Bosekem, daarvan Johan van den Ham de wederhelft toekomt, gelegen in het kerspel Almen, buurtschap Kalffzeller.
Item hun aandeel in een huis op „de Nijestadt" bij de stadswatermolen.
 
XXII. Donderdag na Circumcisionis domini ( Jan.), 1555. Evenzoo hun aandeel in een stuk land, genaamd de „Nijer-becker-mee", in het kerspel van Voorst en buurtschap Tonden gelegen. id.
 
XXIII. Johan Moll en zijn vrouw Yda transporteeren hun deel in een hofstede op de Veluwe, genaamd „den Raegeboom", Maandag ipso Thome apostoli (21 Dec.) 1551.
 
XXIV. (id.). Een huis te Zutfen gelegen voor de Stienbruggen in der Inckpoirterstraiten mitten einre zidt aan Johan Mols huezinge ......... etc. Dinsdag na Purificationis Mariae (7 Febr.) 1548.
 
XXV. (id.). „Arnudt Enserinck bi hem selven unnd Henrica synne echte huessfr. mit oem als oerem echtenn man unnd momber or-denntlich daerthoe verkoerenn, bekannden voer oen unnd oeren erven dat se verkocht hebben unnd jairlicks schuldich synn Bernndt, Gerrit, Claeskenn unnd Styne, echte kynder vann Johann Moll unnd zelige Yda, syner gewesene huessfr. unnd oerenn erven drie gulden jairlicks, denn gulden tot dartich stuver brab, valuiert gereckent thoe betaelenn jairlicks unnd alle jair up Nativitatis Joannis thoe midsoemer vierthien daege voer off nae, onbehallt waervann die irste termijn verschennen sall wesen up Nativitatis Joannis alss man schrijvenn sall vier unnd sestich uith oerenn huess gelegen upt Olderwandt mit der eyner sydt ann Gerrit Kyste-maeckers huess, mit der ander sydt ann Harman Enserincks huess achter uitghaennde up den Haegenn fry unnd quit, beheltelick vijff Ryder gulden jairlicks denngheenen die daer recht thoe hebbenn, beheltelick oick dat Arnudt und Henrica vorss. off oere ervenn deze drie guldenn jairlicks unnd alle jair inn tyt der betaelunge wederomme quitkoepenn unnd loesenn moegen mit negenn unnd vijfftich derselvenn gulden inn golden off silverenn paymente unnd mit der pensioen alssdann verschennen. Sonder arglist." Donderdag na visitatione Mariae (8 Juli) 1563.
Waarschijnlijk is dus: Berent Moll, geh. met Johanna Bontwarck
Met kind: Johan Moll, geh. vóór 1513 met Ida Verwer (Overl voor 1563)
Met Kinderen: Berent - Gerrit - Claes - Styne
Tot hetzelfde geslacht behoorde wellicht:
 
XXVI. Gerrit Moll, die 1499 borgher van Zutfen gemaakt werd „oms halff gilt", evenals Berend Moll een brouwer.
 
XXVII. 1519, 5 Jan (Kentenissen der stad Zutfen). „Gerrit Moll end Heile, syn echte wiff vesten (=geven) heren Jan to Kalfseler priester ind vicarius in onser groten kercken alz nu ter tijt bezitter des altaers van den XI mach-den ind syner naekomelingen, tot behoef der vicariën des altars vursz VI gulde enkele averlensche corfurstl. golden R.G. van rechten gewichte jairlix, die elck holden ind wegen sullen i j R ind troy ken ind anders geyn geit to betalen alle jaer op ten heiligen i i j Co(ningen) dach uit oeren huese mitter brouwketell ind den ... brouwgat ... alss nu in den huese isz gelegen in den Bodieker straeten an Hasken van Dommeren huese, mitter eyner sidt"...... enz.
(Wordt vervolgd.)
 
Wie toont belangstelling?
Mijn geheel bestaat uit 50 letters en vormt een zin. Het betreft iets, dat het Bestuur zeer gaarne zal zien.
a. 38-45-10-38-40-49-H-35-42-2 is wel het hoofddoel onzer vereeniging.
b. De resultaten van onze onderzoekingen kunnen vastgelegd worden in een 21-5-16-41-17-40-4-7_43.
c. Onze belangstelling gaat zekerlijk uit naar onze 22-24- 14-25-48-19-8-32-3-46.
d. Daarbij kunnen wij 29-31-19-l-26-37 overbruggen.
e. Zelfs ongeweten 39-16-40-41 aan den dag brengen.
f. 9-20-39-11-15-34-46 kan uit verwant- of maagschap voortspruiten.
g. 50-44-27-4-13-29 is iets, dat ge steeds zult vinden tusschen moeder en kind.
h. 23-36-30 is een weinig gebruikt, echt Nederlandsen woord voor nakomeling.
i. In een vereeniging als de onze kan ook een 12-16- 40-47 een band vormen.
j. Wij doen een beroep op 21-5-27-19-33, en hebben behoefte aan k. 4-48-10-13-46-2-33.
L Niet minder van belang is echter 47-7-18-6-9- 28-45-15.
(Inzender: de Heer H. J, E. Moll te Bandjermasin.)
Oplossingen in te zenden aan den Secretaris vóór 20 Juli 1933.
De namen der oplossers en de oplossing worden meegedeeld in het volgend nummer van het orgaan.
 
3e Jaargang No. 10                        1 Oct 1933
Uit Verleden, het Heden
[Driemaandelijksch tijdschrift der Vereeniging „Families Mol(l)"]
REDACTEUR: Dr. W. H. Moll, J. v. Oldenbarneveltlaan 21, Amersfoort
MEDEDEELINGEN VAN HET BESTUUR.
Het Bestuur brengt op deze plaats hartelijken dank aan Dr. Fr. Moll, Berlijn voor de inzending van uiterst belangrijke archivalia en photo’s en het boek: Cassirer und Helbing, die Sammlung Carl Moll, Wien, dat als No. 79 onze Bibliotheek verrijkt,
aan den Heer H. Mol, Rotterdam voor de nieuwste pcnnevrucht van zijn hand: „Twintig jaren Avontuur", thans No, 78 van de bibliotheek,
aan den Heer F. G, Mol, Kollum voor een aantal programma’s van muziekconcoursen in Friesland, waarbij de Hr. Mol dirigent van vele orkesten was,
aan den Heer J. van Toll, den Haag voor een prachtcollectie opgeplakte advertenties, betreffende de Mol(l)-genealogie,
aan Prof. Dr. W. J. H. Moll te Soesterberg voor een schilderstukje, voorstellende den zomertuin van de Familie Moll te Enkhuizen,
aan den heer C. Moll te Soerabaya voor het afstaan van enkele drukwerken voor de Bibliotheek, n.l.
No, 83 C. Moll, „Proeve tot een bijdrage van de kennis van woordmerken in het algemeen en van het woordmerk „Aspirine" in het bijzonder", Juli 1925.
No. 84. C. Moll, „Soerabaja Blocknotes", April en Juli 1927.
Voorts werd de Bibliotheek uitgebreid met
No. 80 Dr. W. J. H. Moll, „Onderzoek van ultra-roode spectra" diss. 1907.
No. 81 Mr. A. J, Moll, „Verdeeling van het kapitaal der Vennootschap onder Firma", diss. 1913. (beide schenkingen van den archivaris).
No. 82 Ad. Moll, „Singen und Sprechen". (schenking van den secretaris).
 
Als deelnemers aan den Familiedag hadden zich aan-gemeld:
Mevrouw L, M. S, Moll-Jansen te Bilthoven,
de Dames M. en L. Moll te Amsterdam,
de Heer W. D. te Gussinklo te Apeldoorn,
de Heer G. van Moll te Eindhoven, en voorwaardelijk
de Heer W, W. M. Moll te Breedevoort en 4 Best.leden.
Gezien dit kleine aantal gegadigden zag het Bestuur zich tot zijn spijt genoodzaakt, van een Familiedag af te zien.
 
HET BESTUUR.
Zakendrijvende Leden en Donateurs worden herinnerd aan de door het orgaan geboden gelegenheid, advertenties te plaatsen op de twee binnenzijden van het tijdschrift. Me-dedeelingen van plaatsing of continueering worden inge-wacht bij den redacteur, vóór l Dec a.s. Betaling geschiedt vooruit vóór l Dec. bij den Penningmeester, den Heer J. Moll, Weerdsingel O.Z. 59bis, Utrecht, giro Nr. 108622.
Juiste oplossingen van het Raadsel (Nr. 9) ontving de Secretaris onder dankbetuiging voor de belangstelling en moeite van
Mej. Levina Johanna Hollestelle te Tholen, den Heer en Mevrouw Van der Zanden-Moll te Apeldoorn,
Mevrouw L. M, S. Moll-Jansen te Bilthoven, den Heer H. Moll te Dordrecht, den Heer J. Moll te Utrecht.
De oplossing vormen de twee laatste regels van de laatste pagina van ieder nummer van het orgaan.
Den samensteller, den Heer H. J. E. Moll te Bandjermasin komt lof toe voor zijn genieus idee en zijn steeds vriendelijke belangstelling voor ons werk!
N. B! De Secretaris noodigt allen, die belangstellen in het in druk verschijnen van den STAMBOOM, waartoe men behoort, en die bereid zijn deze uitgave te steunen, hetzij financieëel, hetzij op andere wijze, daarvan ten spoedigste mededeeling te doen aan het Secretariaat te Amersfoort, J. v. Oldenbarneveltlaan 21.
Verder verzoekt hij met aandrang alle Leden en Donateurs, steeds tijdig van eventueele adresveranderingenkennis te geven.
DE SECRETARIS.
 
Oprechten dank wordt den Heer L. Moll te Amersfoort gebracht voor zijn welwillende opmerking betreffende „Gevleugelde woorden" III (No. 8, l Jan. 1933): „Beter is een goede naam dan goede olie" is niet ontleend aan Spr. 22 : l, doch aan Prediker 7 : l,een correctie, die wij hier onder dank plaatsen.
DE REDACTEUR.
Nieuw toegetreden zijn:
als lid:
Mej. H. G. R. Moll, Deventerstraatweg 1602, Apeldoorn.
De Heer Ir. C. J. Moll Schnitzler, Goebeng Boulevard 16, Soerabaya.
als donatrice:
Mevr. A. M. Bakkenes-Moll, Stationsstraat 40, Apeldoorn.
Mevr. A. J. Brouwer-Mol, C 51, Boertange (Gr.).
 
LEVENSSCHETS. - Dr. Ir. Dr. Fr. Moll, Berlijn.
(vertaald door den Redacteur.)
Mijn voorvaderen zijn boeren in het dorp Grübingcn op de „Rauhe Alp" in Württemberg. Misschien was een van hen molenaar en heeft naar, wat hij produceerde, het meel, zijn naam aangenomen.*) Sedert 1530 spreken de kerkboeken van die voorouders. Heden zijn van de 700 inwoners van Grübingen bijna 300 Mollen. Kort na 1700 verhuisde een der voorouders, een jonge bakkersbaas, naar Cannstadt, niet ver van He nieuwe residentie Stuttgart; 50 jaren later trokken twee nakomelingen, oom en neef naar de provincie Silezië, misschien wel daarheen getrokken door den roem van de daden van Frederik den Grooten. Daar ontstond de heden nog bloeiende leerfabriek van Moll in Brieg. Daar werd ook, in den uitersten Zuidhoek, in Nicolai, niet ver van Kattowitz, mijn vader als zoon van den districts-genees-heer Otto Moll geboren. Mijn vader werd officier en woonde afwisselend op vele plaatsen van Duitschland. Zoo werden mijn broer en ik, tweelingen, in Culm in Westpruisen den 31sten Jan 1882 geboren. Zoover wij ons herinneren kunnen, was toen mijn vader kapitein en chef van een straf-compagnie in de citadel te Maagdeburg. Zoo komt het, dat het begrip „leven" voor ons van dien tijd af samen ging
met soldaten en uniformen. Toen wij zes jaren telden, leerde ons een onderofficier de eerste „geheimen" van den soldaat, het exerceeren. Later (1894) kwam ik op de kadettenschool te Karlsruhe en van daar te Lichterfelde bij Berlin. Men kon het moeilijk anders verwachten, dan dat ik ook officier werd. Een zekere belangstelling voor technische zaken veroorzaakte, dat ik na het eindexamen in 1900 als „Portepee-fahnrich" mijn intrede deed in het „Eisenbahnregiment No. 1" in Berlijn, in het trotsche zwarte legercorps met den zilveren gardeadelaar. Een heerlijk jaar op de krijgsschool te Engers a.d. Rhein eindigde echter met een duel op de sabel en maakte een einde aan mijn droom van het soldatenleven.
Daar mijn vader intusschen naar Doberan getrokken was, een kleine pensionsstad in Mecklenburg, zag ik in Rostock voor de eerste maal met bewustzijn schepen en dat deed mij beslissen, scheepsbouw-ingenieur te worden. Een jaar practisch op de Neptunwerf in Rostock was de voorbereiding tot die studie. Een „onverwachte" onderbreking en voor mijn vader, den ouden infanterie-officier, misschien iets geheel onbegrijpelijks, veroorzaakte mijn eerste zeereis: op de werf had een Hollandsche kof hout gebracht. Zoo’n reusachtig schip had ik nog niet gezien. Ik moest meereizen. (Wat is er intusschen geworden van dien fijnen schipper, Schuitema en zijn Antje en wat van de „Twee Gebroeders" uit Groningen?)
Nu volgden de gewone studiejaren aan de Technische Hoogeschool te Charlottenburg, onderbroken door veelvuldige zeereizen naar Amerika en de Doggersbank met En-gelsche stoombooten voor de vischvangst, in de eerste plaats echter een groote voetreis door heel Klein-Azië, weliswaar wat avontuurlijks, maar toch iets, dat ik iederen jongen man zou toewenschen, eens zoo heelemaal vrij van alles, en geheel op zich zelf aangewezen, vreemde landen te leeren kennen en te ondervinden, dat overal daar, waar de mensen nog verbonden is met de aarde, en tegelijk de banden met het Goddelijke, de religie niet verloren heeft, „thuis" zijn kan. Ik was in dien tusschentijd door een studiegenoot geïntroduceerd in de kringen der Christelijke Studentenvereeni-ging en had ook daar iets, wat voor mij nieuw, maar waardevol was en voortaan mij een richting gaf, leeren kennen.
Na afgelegd examen kreeg ik mijn eerste betrekking in Cüstrin, de oude Pruisische vesting, bij den bouw en de leiding van een inrichting voor het impregneeren van hout,
Daarop moest ik me weer geheel nieuw instellen. Ik promoveerde tot Dr. ingenieur op grond van mijn reizen met visch-stoombooten op een dissertatie: „Over de oorzaken van den ondergang der verdwenen vischstoombooten." Van Duitsch-land ging ik in 1910 naar Kühnsdorf in Karaten, om daar een ,,Kyanisier"fabriek ( Kyanisieren = een door den Engelschman Kyan in 1832 gevonden methode van houtkonserveering.) te bouwen. Ook deze jaren in een klein Sloweensch boerendorp, zou ik niet willen missen. Ik huwde daar mijn verloofde, die ik al sedert mijn studietijd uit een missiekring kende. Nog heden, na 20 jaar binden ons hartelijke vriendschapsbanden met hoog en laag in Karnten.
Eens op een keer in dezen tijd wilde ik iets over mijn grootvader weten. Mijn vader kon mij geen inlichtingen geven. Dat speet mij erg. Ik doorsnuffelde de bibliotheek en vond de dissertatie van mijn grootvader en vernam uit het curieuse Latijn (medicus in decima cohorta triarium, (dokter in het 10de landweerbataillon) het een en ander over zijn levensomstandigheden. Weer andere dingen vernam ik nu door correspondentie met familieleden, uit kranten en boeken, ten slotte ook uit kerkboeken. Ook over het leven van mijn vroeg ontslapen moeder en haar ouders hoorde ik nu veel. Nieuwe opwekking tot de genealogie gaf me de „Zentralstelle für deutsche Personen- und Familienge-schichte". Ik maakte nu van dienst- en zakenreizen gebruik, om in kerkboeken en archieven alles, wat ik over voorvaderen te weten kon komen, bijeen te brengen. De „Leder-Mollen" uit Brieg bezaten een mooi gedenkschrift van een familiefeest. Daarin stond, dat hun voorouder leerlooier geweest was en dat hij misschien wel stammen zou uit de looiersstad Reutlingen, maar dat niets was vast te stellen. Ik begon ten slotte in Brieg en Liegnitz met het bestudeeren der Kerkboeken en vond, dat eens als peet bij den doop voorkomt: Johann Jakob Moll, cand. in de Theologie uit Cannstadt in Württemberg. Waar de peet vandaan komt, daar zullen ook de ouders van den doopeling wel te vinden zijn. Uit de opgaven van den leeftijd bij het overlijden kon ik dan ook de beide uit Cannstadt getrokken ouders betrouwbaar vaststellen. In Cannstadt leerde ik weer een Dr. Moll kennen, geneesheer en zoon van een „Landrichter", kleinzoon van een dokter, die zich met de geschiedenis van hun familie beziggehouden hadden. De jonge dokter had weliswaar geen belangstelling meer ervoor en gaf mij zonder meer alles, wat zijn voorouders verzameld hadden en wat thans bij den Secretaris te Amersfoort aanwezig is.
Ik herinner mij, bij dien dokter een portret van den ouden dokter te hebben gezien, dat treffende gelijkenis had met mijn grootvader. In Cannstadt zat ik met mijn genealogie voorloopig vast bij een jongen bakker van ± 1700. Er was een notitie bij het huwelijk, die absoluut onleesbaar was: „Zoon van Louis Mollen uit Araling!" Wat een ongewone voornaam! en die plaatsnaam! Dat „Louis" bleek langzamerhand te zijn „Hans". En toen ik eens pagina voor pagina alle notities spelde en het bekende woord „Gerichtsver-wandter" (Schepen) vond, toen begreep ik, dat de eerste letter niet een A, maar een G was, en dat een krulletje aan ’t eind -,,ingen" beteekent. Dus „Grübingen".
Nu was het ijs gebroken en weldra kon ik ook nog andere bewijzen aanhalen. Alleen het wapen en de familiebetrekking tot de baronnen Von Moll kon ik niet vaststellen. De oude dokter heeft zich hier zeer zeker door een weinig romantiek laten verleiden.**) Voor de baronnen Von Moll kon ik het bewijs leveren, dat ze voortspruiten uit een oud, minstens reeds ongeveer in 1200 in het aartsbisdom Passau zetelend riddergeslacht. Verder kon ik ook andere families, b.v. die uit het moeras bij Nördlingen en die uit de mark Brandenburg en uit Thüringen ver terug vervolgen en daarmee het bewijs leveren, dat de naam Moll ongeveer over geheel Duitschland verspreid is, dus misschien op iets, dat eveneens in geheel Duitschland dezelfde beteekenis heeft, terug te leiden is. Dat heeft mij de overtuiging van den samenhang met meel gegeven.*). Ik beproefde ook, sedert ongeveer 1920 de Mollen samen te brengen, maar toen waren reeds helaas de slechte tijden bij ons aangebroken, en zoo bleef het in den grond slechts bij het verzamelen van afzonderlijke notities en opgaven. Helaas geven velen, zelfs naaste bloedverwanten, niet eens inlichtingen! Daar nu bv. in Württemberg alleen in 50 plaatsen minstens 1000 Mollen leven, kan men immers zoo’n werk heelemaal niet anders doorzetten, dan dat in iedere plaats er zich tenminste één bevindt, die het materiaal verzamelt uit archieven of burgerlijke standen***).
Tot 1914 volgden verscheiden reizen naar Amerika, Afrika, Turkije en Engeland, meestal voor de bestudeering van houtquaesties. Den oorlog heb ik in de „Eisenbahn"troep meegemaakt, veldspoorwegen tusschen vestingen en groote spoorlijnen aansluitende met het spoorwegnet in Rusland, Frankrijk en Macedonië aangelegd, in Servië bruggen weggenomen, in Konstantinopel bij den veldspoorwegchef dienst gedaan en ten slotte in Smyrna de leiding gehad bij de loko-motiefwerkplaatsen. Ik heb onder vrienden en vijanden goede, trouwe menschen leeren kennen en veel uren doorleefd, waaraan ik steeds gaarne terug denk, ik heb eveneens ook veel slechts ondervonden. De uren, waarop de lucht vol ijzer was, wil ik vergeten, maar nooit die, waarin menschen tegen kameraden, ondergeschikten of gevangenen als misdadigers gehandeld hebben. Ik kan over Italianen, Serviërs en Russen niet klagen, de Engelschen zijn dikwijls ruw geweest, beestachtige lust in martelen heb ik slechts bij Fran-schen en Belgen leeren kennen. Na den oorlog heb ik weer een bureau van deskundigen voor houtkonserveering en houtbouw ingericht, Engeland, Frankrijk, Moskou, Turkije, Bulgarije, Oostenrijk en niet te vergeten Holland hebben mij veel te doen gegeven. Noord-Amerika heeft mij tot diep in Mexico op drie lange reizen veel waardevolle instigaties gegeven. Helaas niet meer! Daar ginds werkt men meer empirisch, terwijl het bij ons principe is, terug te gaan op de ten grondslag liggende natuurwetten.
In 1920 promoveerde ik tot Dr. phil. aan de Universiteit te Berlijn (Dank zij mijn professoren, vooral Dr, Geh. Rat Beckmann!) op een werk over de „giftuitwerking van zouten op paddestoelen" en vestigde mij in 1926 aan de Technische Hoogeschool te Berlijn voor het gebied van de technologie van het hout.
Intusschen werden ook eenige boeken geschreven, o.a. een standaardwerk over houtkonserveering en een werk „Het kunstmatige drogen van hout", een groot werk met veel platen: „Het schip in de beeldende kunst van de oudste tijden -tot het jaar 1500", „De Scheepsbouwer in de beeldende kunst" en veel tijdschriftartikelen meestal over houtkonserveering, houtdrogen, huiszwam, het bouwen met hout, de geschiedenis van den scheepsbouw. In den laatsten tijd ook eenige Duitsche, Engelsche en Fransche werken over de boormossel, „Teredo navalis" en andere soorten, die zooals
bekend is, in Holland in 1730 een plaag veroorzaakt hebben, eindelijk ook over de termieten en den bouw van huizen, die veilig zijn voor termieten. Ik denk, dat mijn levenswerk eerst begint, en mijn ideaal zou zijn, in verbinding met een of andere missie-vereeniging in Nieuw Guinea, Batavia of Java, inheemsche arbeiders op te leiden in het bouwen van houten huizen, die beveiligd zijn voor termieten, zwam en brand en zoo de economische ontwikkeling der kolonies en gelijktijdig de ethische ontwikkeling der volkeren te dienen, die ik op vele reizen heb leeren liefhebben en waardeeren.
Dr. Fr. Moll
*). De hooggeachte schrijver houde mij ten goede, dat ik zijn overtuiging van de afleiding van den naam „Mol(l)" in geen enkel opzicht deel.
**). De bewerking van de Moll-genealogie „Grübingen" in drie dikke boekdeelen, volgens de authentieke gegevens, toont ten duidelijkste aan, dat het boekje ,,Stammbuch der Familie Moll" 1887 van wijlen Hofrat Dr Albert Moll op alle punten onvolledig en onbetrouwbaar genoemd moet worden.
***). Moge de verzuchting van Dr. Fr. Moll de Hollandsche Mollen opwekken tot daden!
 Dr. W. H. Moll). .
 
Nawoord van den Redacteur:
Wir danken Herrn Dr. Friedrich Moll, unsrem Ehren-mitgliede, recht herzlich für diese höchst lehrreiche und interessante Lebensschilderung und sprechen den lebhaften Wunsch aus, dasz es ihm vergönnt sein moge, noch viele Jahre segensreich für die Seinigen zu arbeiten, dabei aber sein tatiges Leben weiter auf die Erfüllung seines innigen Wunsches wenden zu dürfen: ,,die ethische Hebung und Entwicklung der Menschheit"!
Voor ons moge deze levensschets, die schrijver op ons verzoek samenstelde, opdat de Hollandsche Mollen iets na-ders te weten kwamen van den Duitschen pionier der Moll-Genealogie, een voorbeeld tot navolging zijn! Uit autobio-graphieën spreekt immers het leven krachtiger en warmer dan uit vaak dorre opsommingen van data en facta, waartoe een memorandum wel leiden moet. . .
Ons orgaan stelt zich ten dienste van allen.
Wie volgt???
 

Werft leden en donateurs voor de Vereeniging „Families Mol(l)"!

© Jan Wies 2017 | j.wies@planet.nl | Kruislaan 28, 2131WD Hoofddorp | telefoon: 023 5636680 Sponsored by Clic2connect