OVER DEZE WEBSITE  |   GASTENBOEK  |   AANRADERS  |   DISCLAIMER  

Tekst   Foto's
HOME     HAARLEMMERMEER      DORPEN     T OUDE BUURTJE     PERSONEN     ZOEKPLAATJES     FOTOALBUMS     FILMS    
»  Droogmakingsplannen 17e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 18e Eeuw
»  Droogmakingsplannen 19e Eeuw
»  Cruquius, Nicolaas Samuel
»  1839-52 de Droogmaking
»  1845 Bouw Gemaal Leeghwater
»  1850 de Polderjongen
»  1852 Verkaveling en Inrichting
»  1854 Tochtje door nieuwe Polder
»  1858-60 Gedenkpenningen Droogmaking
»  1852-70 de Kolonisatie
»  1870-90 de Landbouwcrisis
»  1890-1920 Economisch Herstel
»  1920-45 begin verstedelijking
»  1940-45 Onderduikers in Haarlemmermeer
»  Deel 1: Fam Bogaard
»  Deel 2: Fam Bogaard Vervolg
»  Deel 3: Fam Breyer
»  1945-75 Sterkere Verstedelijking
»  Boerderij namen

 DE ONDERDUIKERS IN DE HAARLEMMERMEER - Deel 2

Uit: VRIJ NEDERLAND – 16 Maart 1985
Door: Anita van Ommeren en Ageeth Scherphuis
Foto’s en reprodukties Bert Nienhuis

De oude Bogaard heeft tien weken lang vast gezeten in de gevangenis aan de Amstelveenseweg in Amsterdam. Zijn zoons waren ondergedoken en hun zus Aagje hield met hun nicht Metje het huishouden gaande voor de ondergedoken kinderen en de niet-joodse onderduikers. In de gevangenis probeerden ze de oude Hannis Boogaard (77 jaar toen) te laten beloven dat hij nooit meer onderdak zou verlenen aan joden. Hij weigerde en zei dat hij het een eer vond dat hij was opgepakt voor hulp aan joden. Zijn christenplicht gebood hem de vervolgden te herbergen: ’Zodra ik het kan, doe ik het weer.’ De Duitse rechter sprak hem ten slotte vrij op voorwaarde dat hij geen onderduikers meer zou nemen: ’Omdat hij niet uit winstbejag gehandeld had, maar ter vervulling van het gebod var Jezus Christus."
’Een uitzonderlijk vonnis, want meestal werden mensen die uit overtuiging joden hielpen zwaarder gestraft dan zij die het deden om er rijker van te worden,’ (Het Grote Gebod, gedenkboek van de christelijke verzetsorganisaties.)

onderduiksters op de boerderij van de Bogaards

INA BUSNACH-VAN BIENEN en haar man Louis Busnach waren de eerste onderduikers die na de overval weer op de boerderij kwamen. Ze waren al maanden op zoek naar een onderduikadres, vast van plan zich niet te laten pakken. Dina, Jo in de oorlog, had haar haar blond laten verven en allebei hadden ze een vals persoonsbewijs. Via een overbuurvrouw in Amsterdam konden ze de plaats innemen van mensen die op het laatste moment niet durfden onder te duiken — bij de Bogaards in de Haarlemmermeer. ’Met vijf koffers — we wisten van niets — en onze contactman zaten we in de bus, alle drie in een ander deel om niet op te vallen. We moesten uitstappen op de hoek Sloterweg - Bennebroekerweg maar midden op een eindeloze weg stopte de chauffeur ineens, hij was vergeten bij de halte te stoppen. Daar stapten we alle drie uit, met die koffers — in die rimboe. Dat was al tamelijk opvallend.
Die man wist niet precies waar we moesten zijn, bij een bruggetje vroeg hij de weg naar de boerderij van Bogaard. "O, die boerderij waar al die joden zitten," die wisten ze wel. Het hart zonk ons in de schoenen. Toen we aankwamen zagen we Tennis en Willem op het land werken. Binnen speelden kinderen, veel kinderen. Opa Bogaard zat in een stoel en vroeg of we al gegeten hadden. We vielen aan op dat ouderwetse bruine brood. En meteen vroeg die oude man met zijn baard scherp of we niet eerst konden bidden: "Jullie zijn toch geen varkens." Na het eten gebeurde er niets, wij zaten aan tafel en opa Bogaard zat zwijgend in een hoek, met zijn voeten op tafel. Het was doodstil in de kamer, niemand zei iets. Ineens tilde hij zijn been op en liet een keiharde wind.’ Jo werd een nichtje dat bij familie in de Meer logeerde omdat het eten in de stad schaars werd. En haar man Louis (Karel in de oorlog) was zogenaamd ondergedoken omdat hij niet naar Duitsland wilde. Jo had zogenaamd een man die in Duitsland werkte. Stom toevallig had ze een (vals) persoonsbewijs op naam van Van Dijk, de naam van de overleden vrouw van opa Bogaard. Zé werkten gewoon mee, in huis en buiten: onderduikers ophalen in Amsterdam, in het ondergrondse werk en in de huishouding. Jan van.de Geer bood aan Jo’s haar te bleken, hij had het wel vaker gedaan. Helaas gebruikte hij de eerste de beste keer 30% peroxyde en was Jo zo dom de volgende dag naar de kapper te gaan voor een permanent.
Dina Busnach: ’Ze hoefden de wikkels er niet eens uit te halen, ze vielen eruit. Ik was net een kokosnoot, van toen af aan heb ik met een doek om mijn hoofd gelopen. De liefde van de mannen van de Crisis Controle Dienst, die ik altijd zo lang mogelijk moest bezighouden, zodat Teunis en Willem zoveel mogelijk zakken tarwe konden wegzetten, was in één klap over.’

NIET LANG NA HUN KOMST werd de boerderij voor de derde keer overvallen, weer door twee Nederlandse politiemensen. Er was geen tijd om het land in te vluchten, Dina Busnach: ’Ik zou een onderduikster van de bus halen en ik loop, terwijl ik naar buiten wil gaan, zo tegen een politieman op. "Hier hebben we d’r een," zei hij. "Hoe bedoelt u," vroeg ik. Ondertussen was die andere politieman omgelopen naar de achterdeur en dreef iedereen die naar buiten probeerde te vluchten, weer naar binnen. Terwijl die eerste agent daar stond met mijn persoonsbewijs in zijn handen werd hij even afgeleid door de mensen die hij de kamer weer zag binnenkomen. Op dat moment trok ik mijn persoonsbewijs uit zijn handen en rende weg naar mijn fiets.
Ik heb de nieuwe onderduikster van de bus gehaald en toen moest ik haar vertellen dat er een overval was en dat haar twee kinderen bij die groep zaten die ik in de kamer had achtergelaten. Haar zoon is meegenomen, haar dochter was achter een penantkastje gekropen, die hebben ze niet gevonden, verder zijn ze allemaal meegenomen, zeven als ik me goed herinner. Een meisje is er nog uitgekomen, die pakte de pet van een van die mannen en begon met hem te flirten. Ze vroeg of ze even naar de wc mocht en zo is ze weggekomen. De meeste kinderen waren gelukkig buiten want er was poppenkast, Teunis heeft ze meegenomen het land in.’ Er was poppenkast omdat een van de ondergedoken kinderen jarig was: Mia Cohen. Ze weet ’t nog precies: ’24 mei 1943, ik weet nog wat ik kreeg, een houten puzzel — een boerderij. Ik vond het een beetje kinderachtig, ik werd zeven, maar dat zei je niet. Ik had al zo’n kapsones. We moesten ineens allemaal weghollen, in de verte kwamen mannen aan. Oom Teunis nam ons mee naar de tocht, daaroverheen lag een plank. Daar gingen we op staan, een voor een, en dan dreef die plank naar de veilige kant. Toen het laatste kind over de sloot was, dreef de plank weg. Geloof ’t of niet, die plank dreef weg, dat weet ik zeker. Een soort goddelijke bestiering — je hoorde de hele dag over God, dat geloofde ik. Mijn neefje van twaalf was niet bij de geredde kinderen, die is toen gepakt, met zijn ouders. Ze zijn niet teruggekomen.’ Bedachtzaam zegt ze: ’Of je aan God gelooft of niet, die plank dreef weg. Als ik wel eens twijfel aan het bestaan van God, denk ik aan die plank.’ Metje Bogaard herinnert zich Mia’s verjaardag ook: ’Ik bakte koekjes voor haar verjaardag en ze stond naast me toen ze kwamen. Ik deed net of ze mijn jongste zusje was, ik zei dat ze maar vast naar huis moest gaan, dat ik er zo aan kwam; ondertussen duwde ik haar de deur uit en fluisterde dat ze het land in moest hollen naar ome Teunis.’

HET PRECIEZE AANTAL OVERVALLEN op de boerderij van de Bogaards is niet na te gaan, de overlevenden kunnen zich vier overvallen duidelijk herinneren, maar daartussendoor werd ook huiszoeking gedaan.
Dina Busnach herinnert zich een overval van de Sicherheitsdienst midden in de zomer van 1943 door dertien of veertien SD’ers en Dol en Donker, twee Nederlandse WA-mannen. Ze hadden net een succes achter de rug: aan de IJweg hadden ze een zwangere joodse vrouw en haar man opgehaald, die daar door oom Hannis waren ondergebracht.
Dina Busnach: ’Ze dreigden Teunis Bogaard dood te schieten als hij niet zei waar de joden zaten. "Schiet me maar dood," zei hij, "ik kan toch niet zeggen dat ze er zijn als ze er niet zijn."
De kelder zochten ze, want daar waren de vorige keer de joden uitgekomen. Teunis nam ze bereidwillig mee naar de provisiekelder. Nee, er moest nog een andere kelder zijn. Daar staan jullie bovenop, zei Teunis, die hebben we dichtgespijkerd. Een halfuur lang hebben ze staan hakken om de kelder open te krijgen. Ze doorzochten het hele huis, toen ze snoepjes zagen liggen, vielen ze daar meteen op aan: jodensnoepjes.
"Ik wist niet dat je jodensnoepjes hebt en andere snoepjes," zei Teunis droog.’ Willem Bogaard: ’Toen ze een bundeltje kleren vonden, waren dat jodenkleren, "Dat klopt," zei mijn vader, "dat is van mensen die jullie weggehaald hebben en we bewaren het voor als ze terugkomen." "Die komen nooit meer terug," zeiden ze. "Nee," zei mijn vader, "daar ben ik ook bang voor, maar wij proberen te redden wat jullie dood maken." ’
Toen de SD’ers om zes uur ’s ochtends nog niemand hadden gevonden, dreigden ze de boerderij in brand te steken: dan zouden de joden wel te voorschijn komen.
Dina Busnach: ’Teunis bleef doodkalm, uiterlijk onbewogen, maar spier- en spierwit: "Dat moesten jullie maar doen," zei hij, "er zijn hier geen joden in huis." ’
Haar man, Louis Busnach, zelf joods, was de hele oorlog actief in de ondergrondse en stond bekend om z’n huzarenstukjes. Hij heeft kans gezien een achttienjarige joods meisje uit Westerbork uit het transport te halen. In Nieuw-Vennep hadden de Bogaards twee joodse kinderen, een meisje van achttien jaar en een jongetje van vijfjaar ondergebracht in een gezin dat ook al een joods meisje van vier jaar in huis had. Bij een overval werden het oudste meisje en de jongen meegenomen. Kennelijk een verraden zaak want de overvallers wisten precies dat er nog een jonger meisje zat ondergedoken, dat op het moment van de overval niet thuis was. De politie vertrok met de mededeling dat ze de volgende ochtend zouden terugkomen om haar op te halen. Oom Hannis: ’Toen we dit hoorden is Lies, mijn schoondochter die me veel heeft geholpen, naar die mensen toegegaan om te vragen of ze het kind aan haar wilden meegeven. Dat wilden ze wel, maar die vrouw herkende Lies en zei: ik weet dat je van oom Hannis komt en als ze morgen komen, ben ik bang dat ik het verraad, dat weet ik nu al wel.
Dat ging dus niet. Nu had ik een NSB-speldje, nog wel met gouwe rand, voor twee jaar trouwe dienst. Karel en Kees, twee onderduikers van de boerderij, wilden daarmee proberen het meisje weg te halen. Een onderduiker die bij mij zat schreef een stuk in het Duits, waarin vooral de woorden Kind en Sicherheitsdienst goed leesbaar waren. Goed gekleed, met een passende aktetas en beenkappen trokken ze de volgende ochtend om zes uur eropuit.Alles was nog in slaap, maar op een wijze en in een toon die wij van de moffen zo goed gewend waren, werden ze wakker geklopt zodat de buren ook meteen wakker waren en stonden ie kijken wat er gebeurde. Zonder wachten of eten moest het kind mee, de vrouw huilen, het kind huilen, zodat ze maar zo gauw mogelijk weggingen anders hadden ze misschien uit medelijden der eigen nog verraden. Afijn alles liep goed, het meisje dook onder bij mijn broers en ’s ochtends om een uur of twaalf kwam de SD om het kind te halen. De vrouw zei dat ze al was opgehaald en het het stuk zien. Het enigste wat ze zeiden: dat stuk is vals, dat hebben die Bogaards hem gelapt. Ze zijn echter niet bij ons geweest, maar rechtstreeks naar Den Haag vertrokken en het kind leeft nog.’ Dina Busnach: ’Zodra ze het kleine meisje naar de boerderij hadden gebracht, zijn mijn man en Kees op de fiets naar Westerbork gegaan. Kees in een Duits uniform en Karel in een zogenaamd politie-uniform. Tegen de bewakers hebben ze gezegd dat ze een meisje zochten dat op transport ging, maar dat eerst nog moest worden voorgeleid omdat ze iets op haar kerfstok had. Daar trapten ze in, ze konden zo doorlopen. Ze hebben het meisje gevonden, in de trein, die klaar stond om naar het Oosten te vertrekken. En ook het jongetje, maar dat was doodsbang — hij begon te gillen toen ze hem wilden meenemen. Ze hebben hem achter moeten laten.

Hannis en Klaasje Bogaard-Slinger

Kees en mijn man waren daar kapot van toen ze terugkwamen. De vreugde dat ze het meisje konden terugbrengen bij haar ouders, die bij de Boogaards waren ondergedoken, kon niet goedmaken dat ze het jongetje in de trein moesten laten.’
’Dat was een spannende nacht,’ is het enige commentaar van Willem en Teunis, en er klinkt nog iets van triomf in hun stemmen. Maar: ’Als ze voorzichtiger was geweest, leefde ze nog. Bij de grote overval liep ze in paniek naar haar ouders, in plaats van naar buiten, zoals we hadden afgesproken. Het is te begrijpen..

DE VERGEEFSE OVERVAL door de SD in de zomer van 1943 gaf de Bogaards weer wat meer vertrouwen zodat ze meer onderduikers durfden op te nemen — tegen de raad van velen in. Aan het eind van de zomer van 1943 zaten er, buiten de oorspronkelijke bewoners, zeventig mensen op de boerderij.
Cor van Stam, toen hoofd van de LOLKP, later burgemeester van de Haarlemmermeer: ’Iedereen wist dat er onderduikers zaten bij Teunis en Willem, ik heb ze bezworen zich rustig te houden. "Zorg er nou voor dat er een paar maanden geen mensen bijkomen." "Tja," zei Teunis, die de baas was, "maar we laten ze niet buiten staan."
Ze zijn vaker gewaarschuwd, kruidenier Splinter, die de boodschappen leverde en daar later voor is opgepakt, zei ook: "Teunis, kijk uit, het loopt in de gaten." En dan zei Teunis: "Hoeveel neem jij er mee?" ’
In zijn herinneringen beschrijft oom Hannis hoe moeilijk het was al die mensen te eten te geven, vooral in het begin, later kwam er meer georganiseerde hulp van de illegaliteit. ’Ten eerste kon nog niet de helft van de mensen kostgeld betalen en dit is. toch nooit hoger geweest dan veertig, vijfenveertig gulden per maand voor volwassenen en vijfentwintig, dertig gulden voor kinderen. Gelukkig hadden mijn broers een goede boerderij, zij hebben zoveel tarwe voor de onderduikers gebruikt dat wij het eerste jaar twaalf zakken minder hebben afgeleverd dan wij als zaaitarwe hadden ontvangen. Er is een handiger wiskundige rekening voor nodig geweest om dat goed te praten, dan uit te rekenen hoe ver de zon van de aarde staat. Wij hebben 1200 kilo zaai-erwten aangevraagd en dat hebben we tot de laatste erwt onder de mensen verdeeld. Na een paar maanden lukte het valse inlegvellen voor de bonkaarten van twee derde van de mensen te krijgen. Zo zijn we met veel moeite het eerste jaar doorgekomen.’ Later kwamen er steeds meer mensen uit de grote steden op hongertocht langs. Willem: ’Het zaadgoed verkochten we aan de mensen die langskwamen. Je hebt misschien wel eens een kerk uit zien gaan, zo kwamen de mensen bij ons om eten.’
Niet alle mensen die onderdak verleenden aan onderduikers die de Boogaards in de Haarlemmermeer onderbrachten, deden dat uit louter menslievende overwegingen. Oom Hannis geeft daarvan een paar voorbeelden. Voor twee kinderen van drie en vier jaar die oom Hannis in Hillegom had geplaatst, betaalden de Bogaards iedere vrijdag tachtig gulden en gaven ze iedere maand twee bonkaarten, op voorhand. Vrijdags werd het geld geïncasseerd en ’s maandags stonden de kinderen weer bij oom Hannis voor de deur: ’En ofschoon ik gebeden en gesmeekt heb om de bonkaarten terug te krijgen, heb ik noch een cent noch de bonkaarten gehad en alleen maar een deel van de kleren. Het tweede geval betrof een meisje van zestien jaar in Leimuiden, dit kind had geheel niets. Ik heb nog een bed en een ledikant gekocht en ik heb veertien dagen vooruit betaald. De zaterdag voor de nieuwe maand was de vrouw bij mij om geld voor de komende maand en nieuwe bonkaarten, ze had er zo’n gebrek aan. Ik heb ze beide gegeven en ’s maandags was het meisje bij mij omdat er volgens de vrouw politie was wezen waarschuwen dat er gevaar was. Ik had toen al zoveel ondervinding opgedaan dat in negen van de tien gevallen dit toch maar een verzinsel was, maar wat kon je eraan doen? Je mocht toen toch ter wille van zovelen geen vijanden maken, doch mijn geld, bonkaart, bed en ledikant was ik kwijt.’

Willem Bogaard met ondergedoken kinderen voor een van de schuilplaatsen

Later, toen er steeds meer onderduikers kwamen, vlak voor de grote overval in oktober 1943 waren er vier mud aardappelen per week nodig en dertig broden per dag om zeventig onderduikers te voeden. En dat alles moest worden ingeslagen zonder dat het in de gaten liep. Tante Aagje kookte met behulp van haar nichtje Metje en een dienstbode in het stookhuis, op een waterfornuis, dat iedere ochtend moest worden aangemaakt. Wasketels vol aardappels en groente. De onderduikers schilden de aardappelen, in de zomer achter het huis, ’s winters binnen.
Tante Aag en Metje bakten het brood zoveel mogelijk zelf, maar iedere dag dertig broden werd ze te veel. Later ging de tarwe naar bakker Verhoef in Nieuw-Vennep, die gereformeerd was, dus goed en niet opkeek van de grote hoeveelheid broden die hij moest afleveren. Metje Boogaard: ’In de schuur stond een wasmachine, die iedere dag draaide — zo’n ouderwetse houten kuip die je zelf aan de gang moest maken met een houten wiel. De was hing achter het huis te drogen, ingebouwd tussen de bomen, ’s Winters moest alles binnen drogen.’ Dina Busnach weet nog goed dat ze hele dagen aan één stuk door stond te strijken.

NA DE LAATSTE OVERVALLEN kwamen de joodse onderduikers bijna niet meer te voorschijn, ze kregen de maaltijden in hun schuilplaatsen. Voor tante Aag en Metje en Dina Busnach betekende dat dat ze bijna geen hulp meer kregen bij het werk. Onuitgesproken was er een afspraak tussen de volwassen vrouwen dat ze opa Bogaard in de gaten hielden, omdat die wel eens was aangetroffen te midden van het gewas met zijn handen in het broekje van een van de kinderen. De vrouwen waarschuwden elkaar met de code dat ’opa weer in de bonen was’.
’Iedereen wist het: het was te veel, je kon best drie of vier onderduikers op je nemen, maar bij de Boogaards kwam een niet aflatende stroom van mensen,’ zegt Cor van Stam, die vaak op de boerderij kwam met bonkaarten en extra zaaigoed van de illegaliteit: ’Je moet je voorstellen hoe je daar zat, met veel te veel mensen. Ze leefden bij de Bogaards in een opgewonden sfeer, het was net of de geuzen van Den Briel terug waren. Er werd bijvoorbeeld gediscussieerd over wat ze zouden doen als er een Duits vlieg tuig neerstortte en de bemanning er levend zo uitkomen. Dan zouden ze ze meteen de nek om draaien. "Iedere NSB’er moet in de wieg gesmoord worden," zei Teunis. Maar wat moest je? Moest je ze voor de deur laten staan? Daarbij kwam dat het Nederlandse volk niet’ voelde voor een jodenman of -vrouw. We hebben als gekken geprobeerd die mensen onder te brengen, soms verzwegen we dat het joden waren, maar dat kon niet altijd. Bij de Bogaards was het op ’t laatst een soort concentratiekamp geworden, de mensen leefden onder de grond onder de erbarmelijkste omstandigheden. De Bogaards hebben lijf en goed geofferd omdat ze geen nee konden zeggen.’ Trijntje van Stam-Jansen: ’Op bijeenkomsten van de mannenvereniging op gereformeerde grondslag in de Haarlemmermeer discussieerden ze over de vraag wat je moest doen als je kinderen had: een jood in huis of niet? Wij lagen te huilen in bed toen onze zoon werd geboren: waar lag onze verantwoordelijkheid? Moesten we onze zoon voor laten gaan en al die vervolgde mensen aan hun lot overlaten? Ik herinner me zo goed het moment dat ik in de krant as dat de rijkscommissaris had verordonneerd lat iedereen die joodse onderduikers had de doodstraf kreeg. Kon en mocht je je kind dat aandoen?’

Cor van Stam: ’De Bogaards hebben altijd de onderdrukten geholpen, na de Eerste Wereldoorlog hadden ze Hongaarse kinderen in huis. Het waren geuzen, door en door calvinistisch. Nederlanders met een sterk ontwikkeld gevoel voor de geschiedenis en Nederland is altijd gastvrij geweest voor joden dus die lijn moesten ze doorzetten. Natuurlijk deden ze het ook op bijbelse gronden, maar in de eerste plaats waren het geuzen die de Spanjaarden het land uittrapten: "die schoften horen hier niet." ’ Trijntje van Stam: ’Ze deden ’t ook op principiële gronden: God, Nederland en oranje, dat snoer lieten ze niet verbreken.’ Teunis en Willem Bogaard zijn er kort over en reageren verontwaardigd op de vraag waarom ze t deden: ’Het ging om mensen. Er is geen haar verschil tussen een jood en u. Dat beseffen ze in Nederland niet, nog niet.’

ANTHEUNIUS BOGAARD is nu 92 jaar en Willem 82, ze wonen samen, allebei ongetrouwd, in een flat in Nieuw-Vennep. Op de zevende verdieping, hoog boven het dorp vol moderne flats en keurige eengezinshuizen, kijken ze uit over de kaarsrechte wegen en sloten van hun Haarlemmermeer. In de gang recht tegenover de voordeur hangt een grote houten davidsster, gemaakt door de zoon van een van de onderduikers. De broers zitten allebei in grote zwarte skai-stoelen, Willem in een grijs tweed jasje, grijze broek en donkerblauwe trui, Antheunius in een bruin pak: heren. Van muur tot muur ligt een grasgroen kleed. Toch nog een beetje het idee dat ze op de boerderij zitten. Overal hangen en liggen souvenirs uit Israël, stenen, geldstukken, een uitgedroogd appeltje van een ceder, gedroogde vruchten van een boom, die ter ere van opa Bogaard is geplant. In de boekenkast liggen Israëlische onderscheidingen bij een foto waarop de Israëlische ambassadeur de gebroeders eert. Overal waar je kijkt herinneringen aan Israël: een gebedsrol op het dressoir, een koperen menorah met inscriptie van de joodse onderduikers, een mezoezah op de deurpost van de slaapkamers, certificaten van in Israël geplante bomen ter ere van de Boogaards aan de muren en veel foto’s van hun liefste onderduikster met haar gezin in Israël en in Nederland.
De snelkookpan staat te stomen op het fornuis. Dat maakt het voor Teunis, die nogal doof is, moeilijk het gesprek te volgen. Twee vrouwen, moeder en dochter: ’we kennen elkaar van de zondagsschool’ maken de flat schoon en koken in het vooruit.
’We zijn er niet ingelopen,’ is het eerste dat Willem Bogaard zegt, voor we iets kunnen vragen, aangevuld door Antheunius: ’We wisten heel goed wat we deden.’
Ze doelen op Het Grote Gebod (de geschiedenis van het christelijke verzet), waarin volgens de gebroeders staat dat ze het uit goeiigheid deden, en dat ze niet wisten wat ze deden — wij hebben ’t niet in het boek kunnen vinden. ’We zouden het zo weer doen,’ zegt Willem. ’Je laat iemand in doodsnood niet buiten staan. Als we de mensen die ons waarschuwden vroegen of zij een paar onderduikers wilden meenemen, waren ze weg. We kenden het risico, we wisten dat het bekend was dat we joden hadden. Verraad, ja verraad, maar ook stomheid. Het was niet altijd kwade opzet, er werd ook te veel gekletst. Mevrouw Dekker heeft er met haar leven voor betaald en ook bij onze schoonzuster, de vrouw van onze broer Piet, moesten we weg omdat we verraden waren.’ Bang waren de gebroeders ’net eender als ieder ander mens’, maar we moeten goed begrijpen dat ze op wonderbaarlijke wijze door God bewaard zijn: ’anders waren er we er niet meer geweest’.
Spijt hebben ze nooit gehad, Antheunius: ’Spijt, hoe komen jullie daar nou bij? Nooit!’

De gevonden joodse onderduikers wachtend op deportatie (gefotografeerd door de Duitsers)

COR VAN STAM WIL NIET duidelijk antwoord geven op de vraag of er sprake was van verraad bij de overvallen op de boerderij van de Bogaards. ’We hebben altijd wel geweten waardoor het kwam, maar het kwam ook voor dat we gewaarschuwd werden.’ Als voorbeeld geeft hij de waarschuwingen van politieman Miggelbrink die voor hij met de Landwacht een overval ging doen, Cor van Stam belde en hem vroeg of hij nog ’kromneuskonijntjes’ had. ’Ik krijg vanavond mensen die er een paar nodig hebben en ze willen dat ik met ze meega naar de IJweg.’ Dan wist Cor van Stam dat er een overval zou komen op de IJweg en waarschuwde hij alle bewoners die joodse onderduikers hadden. Truus de Swaan geeft als voorbeeld van het verraad in de Haarlemmermeer polder de arrestatie van de hoofdonderwijzer die met de joodse kinderen van zijn school werd weggevoerd. Veel pleegouders stelden de ondergedoken joodse kinderen voor als nichtjes en neefjes, die weggebombardeerd waren uit Rotterdam. Tot er op een dag een overval op school was en de Duitsers in de klas vroegen wie er uit Rotterdam kwam. Alle kinderen die hun vinger opstaken en de hoofdonderwijzer werden meegenomen. Oom Hannis kreeg na de grote overval op de boerderij van zijn vader en broers een seintje van een politieman dat hij beter de volgende dag binnen kon blijven ’want de groene politie wist nog niet dat hij bestond’. Oom Hannis in zijn herinneringen: ’De eerste dagen na de overval werd iedereen in onze omgeving aangehouden en nu was er een jongen van 17 jaar die veel met mijn jongens omging. Deze werd aangehouden en omdat hij geen persoonbewijs bij zich had moest hij mee naar Amsterdam. Reeds de andere dag kreeg ik de waarschuwing dat de vader van deze jongen ’t er niet bij liet zitten omdat zijn zoon, die niets had gedaan, vast zat en oom Hannis, die altijd tegen de Duitsers bezig is, er tussendoor weet te schieten.’
Hier stopt oom Hannis met zijn verslag om te verklaren dat de volgende geschiedenis zo romantisch is, dat niemand het zal geloven, maar dat hij voor de waarheid ervan instaat. De (joodse) man van Truus de Swaan-Willems, een van de contactadressen in Amsterdam, werd in diezelfde tijd tijdens een razzia opgepakt, maar wist te ontsnappen en dook meteen in België onder. Een paar weken later kwam de Sicherheitsdienst hem halen, waarop Truus de Swaan vertelde dat hij was opgepakt en waarschijnlijk weggevoerd. De SD nam haar mee naar de Euterpestraat en terwijl ze daar zat te wachten hoorde ze dat de burgemeester van de Haarlemmermeer belde over goederen in de boerderij van Bogaard,
Hannis Bogaard: ’Beter kon zij het volgen toen de burgemeester meedeelde dat ze zeer waardevoile mededelingen hadden gekregen van een jongen van Jansen. Hij had verteld dat de boerderij niet het voornaamste was, hij had mijn adres genoemd en gezegd dat ik de leider was (er was bij ons echter van geen leider sprake) en dat mijn huis vol joden zat. Hij wist dat er een schuilplaats was, maar de ingang kon hij niet aanwijzen.
Het was op een vrijdagmiddag en zij vroegen de burgemeester of hij zaterdag een overval kon doen, maar het moest met veel personeel en materiaal, want, en die eer hebben ze mij gegeven, ik was heel slim. Het was echter niet mijn slimheid, maar hun lompheid, gezien het feit dat ze mevrouw De Swaan rustig in die zaal lieten zitten, al deed ze dan ook of ze sliep. Zij begreep uit wat er gezegd werd dat de burgemeester het met zijn eigen personeel niet goed aan dorst, zodat zij afspraken de volgende week dinsdag een overval te doen met hulp uit Amsterdam.’
Die avond werd mevrouw De Swaan vrijgelaten en kon ze oom Hannis waarschuwen. De volgende dag zijn alle dertien onderduikers ondergebracht op andere adressen en doken oom Hannis en zijn vrouw onder in Zaandam, bij familie. Daar hoorde hij dat diezelfde jongen Jansen ook het adres bij Hillegom had verraden waar drie onderduikers heen waren gegaan. Hij reisde naar Hillegom om de familie te waarschuwen maar jammer genoeg hebben ze die waarschuwing niet opgevolgd. Oom Hannis: ’ ’s Woensdags kon mijn vrouw het niet langer uithouden, ze moest naar huis om te weten hoe het met de kinderen was. Helaas hadden ze de overval een dag uitgesteld en kwamen ze een uur nadat mijn vrouw was thuisgekomen. Ze kwamen uit Amsterdam, met z’n twaalven. Omdat ze niets konden vinden, ook de ingang van de schuilkelder niet — hoewel ze alles hebben afgebroken, maar ik wist wel dat het praktisch onmogelijk was — hebben ze mijn vrouw en dochter van 18 jaar met revolvers gedreigd neer te schieten. Dat was echter mis, mijn vrouw was op dit punt meer mans dan ik want ze zei dat ze hun gang maar moesten gaan want ze kon toch maar een keer dood. Toen hebben ze mijn vrouw en dochter opgesloten en gezegd dat ze het huis in de lucht zouden laten vliegen. Daar werd mijn vrouw ook niet warm of koud van en ten slotte hebben ze haar naar de auto gebracht om haar mee te nemen naar Amsterdam.’
Op dat moment kwam er een andere auto van de SD met de drie onderduikers uit Hillegom, verraden en opgepakt. Helaas hadden zij zich niet aan de afspraak gehouden en toegegeven dat ze bij oom Hannis en zijn vrouw waren ondergedoken.
Oom Hannis: ’Dat was niet mooi, wij hadden afgesproken dat als er iemand gepakt zou worden, hij zou zeggen dat hij van de boerderij kwam, daar was toch alles weg.’ De SD nam Klaasje Boogaard-Slinger mee naar de Weteringschans in Amsterdam. Metje Bogaard was die avond niet thuis, maar ze kan zich precies voorstellen hoe het ging. ’Moeder was nooit bang, ze deed alles even rustig. Ze had lang grijs haar in een knot je en ze had altijd een gebloemd schort voor. Als ze wegging, nam ze altijd een breiwerk en een schoon schort mee in de tas. Ik heb me vaak afgevraagd of ze dat toen ook bij zich had.’ Oom Hannis: ’Mijn vrouw heeft daar vijf dagen helemaal alleen gezeten en daar kon ze blijkbaar niet zo goed tegen, ten minste de zesde dag had zij hele lelijke benen waardoor ze niet meer kon lopen. De cipier liet de dokter komen en deze was nog niet zo kwaad. Hij vroeg waarvoor ze daar zat en toen mijn vrouw vertelde waarvoor en dat het zo moeilijk was omdat ze niets van haar kinderen hoorde, zei hij: dan zal ik je helpen. Hij heeft gezegd dat ze iets heel besmettelijks mankeerde en reeds een kwartier later kwamen er twee politiemensen die haar naar de tram hebben gebracht. Zo goed en zo kwaad als het ging, is ze thuis gekomen. De ziekte heeft een week of vier geduurd, het was belroos, doch het heeft haar leven gered.’

de gevonden joodse onderduikers wachtend op deportatie

TERWIJL OOM HANNIS ONDERGEDOKEN zat in Haarlem — maar ondertussen wel met een van zijn zoons het werk voor de onderduikers voortzette en iedere woensdagavond thuiskwam — nam zijn vrouw weer drie joodse onderduikers in huis, een man van 30 jaar, een vrouw van 23 en een meisje van 9 jaar. Weer werd de zaak verraden en kwam er een overval, op woensdagavond. Oom Hannis: ’Het waren twaalf SD’ers, uit Den Haag, een koppel mensen die geheel beest waren en niets menselijks meer hadden. Het was zowat acht uur, op 16 december, dus geheel donker, toen ze op de deur klopten. Mijn dochter die ging kijken wie er was, zei dat ze eerst de sleutel moest halen, ofschoon de deur alleen maar gegrendeld was. In plaats van de schuilkelder in te gaan, vluchtte de joodse jongen naar buiten, er niet mee rekenend dat het huis omsingeld was. Dat was heel erg want hij werd gegrepen en beestachtig mishandeld.’ Zoon Teun was die avond op pad om een joodse jongen op te halen. Het huis was zo omsingeld dat er niemand door kon om hem te waarschuwen. Zelfs een buurman die aan de deur kwam, werd naar binnen geslagen en vastgehouden. Oom Hannis: ’Ze hebben net zo lang gewacht tot mijn zoon thuiskwam, die hebben ze heel erg ’ mishandeld, zodat ze vrijwel ai zijn tanden en kiezen uit zijn mond hebben geslagen. Hij heeft , echter niet gesproken. Die nacht hebben ze behalve de vier joodse onderduikers, drie zoons en mijn schoondochter Lies meegenomen. Van de eerste vier heb ik nooit meer iets vernomen, de andere vier zijn naar het Oranjehotel (gevangenis in Scheveningen) gebracht. Twee zoons zijn drie dagen later los gelaten op voorwaarde dat zij mijn adres zouden zoeken — dat hebben ze ook gedaan, ze hebben ’t alleen niet aan de SD doorgegeven. Tegen mijn schoondochter hebben ze gezegd: als jij zoveel met joden op hebt, zullen we je ook maar voor joods verklaren en je naar Westerbork sturen. Na drie maanden is het gelukt haar er illegaal uit te krijgen, maar dat heeft zevenduizend gulden gekost, dat heb ik niet betaald, maar de familie De Swaan.
Mijn andere zoon is naar Vught gebracht en vandaar vermoedelijk in de septemberdagen weggevoerd. Volgens een ooggetuige uit Groningen is hij in november 1944 in Oraniënburg overleden.’

Teun Bogaard, in 1944 in Oraniënburg vermoord

Met dank aan het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie Op verzoek van twee geïnterviewden hebben we hun namen veranderd.

Naschrift uit Gastenboek:

Monique J P Vermey schrijft: Jammer dat ze de helft van de mensen die geholpen hebben weg gelaten. Zus van Metje, mijn oma Janny Boogaard en haar man mijn opa Leen Reumerman, deze waren ook daar te vinden om ze te helpen. Ze hebben lintjes gehad, onderscheidingen en er is zelfs een boom gepland in Israel. ik wil dat graag ook even vermelden. 
 
Zie Verder:
Deel 3: Fam Breyer


 
NIEUW TOEGEVOEGDE FOTO
v.l.n.r. 1. Jan Passies. 2. Jan van Nieuwkoop (dus niet Dirk). 3. Leen van de Lee. 4 Bep van de Lee. 5. Vera Huiberts. 6 Gretha de Gier. Namen komen uit eigen archief, ik heb zelf meegespeeld, ben in bezit van tekst, rolverdeling en foto’s. Jan, ik neem binnenkort wel contact met je op. Hartelijke groet - Piet [Commentaar Jan: Hoi Piet, Hartelijke dank voor de aan
Piet Gorter
MEER OVER DEZE FOTO >>  

 
WAT WEET U VAN DEZE FOTO?
Als u iets weet over deze foto klik dan op "Meer over deze foto" en geef uw informatie door!

MEER OVER DEZE FOTO >>  

© Jan Wies 2017 | j.wies@planet.nl | Kruislaan 28, 2131WD Hoofddorp | telefoon: 023 5636680 Gesponsord door Clic2connect